Spetters

Een paar dagen geleden, dit liedje.

Ik  zit op de bank, mijn hand met daarin een chipje halverwege de weg naar mijn mond bevroren in de lucht, mijn mond half open, de tranen over mijn wangen.

Een opmerking die ik eerder die week heb gelezen komt in me op: “Het feit dat je verdriet kunt voelen en je vervolgens weer beter kunt voelen na het horen van een liedje, bewijst dat gevoelens dom zijn.” Nee, dacht ik toen, het bewijst dat er verdomd goede liedjes bestaan. Liedjes die gevoelens blootleggen. Gevoelens die soms diep verborgen zitten onder een dikke laag alledaagse rompslomp. Die, als je niet oppast, steeds dieper zakken, totdat je er niet meer bij kunt komen en je iets of iemand van buitenaf nodig hebt om ze weer bloot te leggen. Als een plastic bal die je in het zwembad lange tijd onder je lichaam, onder het wateroppervlak kunt houden, maar die, als iemand onverwacht water in je gezicht spettert, ineens toch naar boven schiet, langs je zij of je schouder, onvoorzien, zo de lucht in.

Gevoelens zijn dom noch slim. Ze hebben geen hersens en kunnen niet nadenken. Mensen wel. Dat is het probleem. Mensen voelen, en dan begint het denken.  Ze vragen zich af waarom, willen het niet, verzetten zich ertegen, schamen zich ervoor. Constant alleen maar voelen hoort niet. Mag niet. Past niet in onze maatschappij. Huilen op je werk, het kan niet. Emotioneel staat gelijk aan onprofessioneel.

En dus hopen de weggestopte gevoelens zich op. Eerst zijn ze nog een klein brokje bedwongen boosheid, gesmoorde smart. Dan worden ze een steeds grotere klomp getemde stemmingen die we niet wilden of konden voelen.

Dat liedje, de spetters. Het gaat over hem, over haar. Over hen die ik ben kwijtgeraakt. Zij, bij wie ik in het dagelijks leven zo min mogelijk stilsta om de zware draaikolk in mijn onderbuik niet te hoeven voelen. Of de stroeve hobbel in mijn keel, daar waar het slikken plaatsvindt. Die bal die geen weg naar buiten vindt en steeds links en rechts tegen allerlei organen aan stoot. Mijn maag, mijn middenrif, mijn hart. Verdriet is lichamelijke pijn, tranen zijn het bloed van onderweg ontstane wonden.

Tijdens het luisteren naar dat liedje heb ik ongemerkt het hele schaaltje chips leeggegeten. “Was het lekker?” vraagt R. die plotseling naast me blijkt te zitten. Ik lik het zout van mijn lippen en kijk hem aan. “Ja,” zeg ik, “dat had ik echt even nodig.”