Tag: vriendschap

Oct 17

Van zelf sprekend

Ja maar, zei de ander, wat vind JIJ?

Daar moest ik even over nadenken.

Ik ben het er eigenlijk niet mee eens, zei ik.

Vervolgens trok ik een blik ergernissen open en stalde de inhoud uit op de tafel voor ons. De ander keek ernaar en schudde het hoofd. En dus begon ik aan een nieuw betoog vol argumenten. De ander richtte het hoofd op, keek me aan en trok één wenkbrauw op. Het maakte me boos. Nam de ander mij niet serieus? Vond de ander dat ik overdreef? Een nieuwe gedachte kwam in me op. Had ik misschien ooit iets anders beweerd? Haalde ik ongemerkt mijn eigen argumenten onderuit? Ik zweeg. Van onder mijn wimpers spiekte ik even naar de ander, die schijnbaar onbewogen in de koffie roerde. Had ik het nu verpest?

Sorry dat ik je ermee lastigval, zei ik, en sorry als je het niet begrijpt.

De ander tikte het koffielepeltje af op de rand van het kopje en keek verbaasd naar me op.

Ik begrijp het best, zei de ander, je had kunnen stoppen na ‘ik ben het er eigenlijk niet mee eens’, op dat moment had je mijn vraag al beantwoord.

Ik fronsde mijn voorhoofd en vroeg me af wat dit nu weer te betekenen had.

Vraag het me dan! zuchtte de ander.

Oké, zei ik, wat vind je er dan van dat ik het er niet mee eens ben?

De ander keek me diep in de ogen, pakte mijn schouders vast en zei: ik vind er niks van, het is gewoon JOUW mening!

Op dat moment stond de ander op, gaf me een vriendschappelijke knipoog en zei dat we elkaar binnenkort uiteraard weer zagen. Want het was zoals altijd gezellig geweest. En weg was de ander, mij energieloos achterlatend met mezelf.

 

[deze tekst kwam tot stand naar aanleiding van de blogs Het belang van eigenheid en Hoe blijf je bij jezelf van Jacob Jan Voerman]

 

 

 

 

 

 

 

Share Button
6 comments
Aug 15

Schappen

[Als ik doodloop. Kan ik enkel nog terug. Naar waar ik vandaan kom. Achteruit. Opnieuw kiezen. Een andere rij in de kast met schappen. Wellicht daar wel bagage. Wel bescherming. Wel betekenis. (...) Die andere rij met schappen. Die bestaat. Het is alleen af en toe flink zoeken.] Deze woorden vond ik op het blog van Steven Gort, waar ik graag heen ga om te lezen. Omdat hij me vaak aan het denken zet. Deze keer over doodlopen, over een andere rij met schappen. 

Met haar witblonde haar en groen-met-roze broekpak zag ik haar al staan voordat ik met mijn fiets bij het kruispunt was aangekomen. Ze zat kaarsrecht op haar zadel te wachten met één voet op een trapper, de andere nonchalant op een paaltje. Ze was groter dan ik. Ze leek ouder. Mijn zomerjack flapperde oversized rond mijn smalle schouders terwijl ik wat harder ging trappen. Naast haar wilde ik naar school fietsen.

We waren elkaars tegengestelde. En toch herkenden en vonden we zoveel in elkaar. Tijdens logeerpartijtjes gingen we samen in bad. Verwonderd vergeleken we onze totaal verschillende lichamen. Zij rond en zacht, ik klein en benig. We hadden onze eigen humor, kregen de slappe lach om onverklaarbare, maar voor ons beiden zo vanzelfsprekende dingen. Haar huid was altijd zacht en ze rook naar frisgewassen haren.

Na school, als we elkaar in de klas al de hele dag briefjes hadden toegeschoven en samen naar huis waren gefietst, hingen we uren met elkaar aan de telefoon, totdat onze moeders onderaan de trap riepen dat we nu toch echt gingen eten. In één van mijn dagboeken schreef ze dat we op ons tachtigste vast en zeker nog steeds gezapig naast elkaar zouden zitten. Ik kan me het moment dat ze het schreef, met een vulpen van school, op de witte wollige vloerbedekking van mijn tienerkamer, met een schaaltje paprikachips op de grond en het gevoel van veiligheid en liefde, herinneren alsof het gisteren was.

Jaren later zie ik haar staan, in de deuropening van haar villa. Ze heeft haar haren weer kort, net als die eerste keer dat we samen naar school fietsten. Ik veeg mijn handpalmen af aan mijn broekspijpen en loop op haar af. We kunnen niet meer lachen, alleen nog maar huilen. En als ik afscheid van haar neem, weet ik dat ik dit schap niet meer kan gebruiken. Het is vol. Er komen geen nieuwe verhalen meer bij. Ik zie ze liggen, al die herinneringen. Mislukte permanentjes en winkelmarathons in Antwerpen. Van de duikplank springen met je kleren aan. Hangend boven een wc-pot elkaars haren uit het gezicht houden. Elkaar kortstondig kwijtraken aan een eerste vriendje en elkaar daarna weer opgelucht terugvinden.

Soms, heel soms, probeer ik nog eens naar dat volle schap te kijken. Om me vervolgens snel om te draaien en terug te rennen. Om bewust te kiezen voor een pad met nieuwe schappen. Vriendschappen zonder verdriet.

Share Button
18 comments
Jul 20

Struikelblog

Schrijven voorkomt hoorbaar struikelen over woorden. In mijn hoofd liggen gedachten en formuleringen door elkaar op één grote hoop. Verschoven, ondersteboven. Woorden stommelen als onbeholpen kinderen uit mijn mond. Enthousiast en oprecht, maar vaak ook ondoordacht of tactloos.

Schrijven is ordenen. Hier en daar veeg ik wat rondslingerende lettergrepen bij elkaar, ik maak stapeltjes van opmerkingen die hetzelfde lijken te zeggen. En in een hoekje waar het rustig is maak ik een speciaal plekje vrij. Daar komen de woorden die prettig klinken, de zinnen die vloeiend lopen en de beelden die goed passen. Tussen dat hoekje en de chaos loop ik heen en weer. Soms kalm en beheerst, veel vaker ongeduldig en gefrustreerd.

Want er is ook nog dat deurtje naar buiten. Een deur die uitkomt op een klein pleintje, waar ik soms de door mij geordende woordenstroom tevoorschijn tover. Waar passanten blijven staan en aandachtig luisteren. Waar ik zomaar kan worden aangesproken of… waar ik helemaal niet word opgemerkt. Dat laatste raakt me. Vaak laat ik die deur daarom gesloten. Voor de zekerheid.

Vorige week klopte er ineens iemand aan. Hij stak zijn hoofd om de hoek van de deur en zei: kom naar buiten. Haal het slot van de deur. Wees niet bang als mensen naar binnen gluren en de rommel zien. Want dat ben jij.

Aan de overkant van het plein zie ik hem staan, hij steekt met kop en schouders boven de massa uit. En als ik goed luister, hoor ik vooral mooie geluiden.

Ik doe een klein stapje naar vooruit.

Het maakt niet uit als ik struikel.

 

Share Button
18 comments
Nov 06

Wil

Een zonnige zaterdagochtend in de zomer van 2010. Ik zit in de auto, op weg van Utrecht naar mijn geboortestreek. Ik heb ruim twee uur voor de reis ingepland, om er zeker van te zijn dat ik niet te laat kom. Het is al behoorlijk warm voor de tijd van de dag. Bij Breda begint het verkeer ineens langzamer te rijden. Ik veeg een zweetdruppeltje van m’n slaap, stuur de auto enigszins naar links en tuur langs een lange rij achteruitkijkspiegels, op zoek naar een aanwijzing die een file op zaterdagochtend kan verklaren. Een paar minuten later sta ik stil, samen met tientallen andere weggebruikers; ik ben in de enige lange, stilstaande weekend-file in heel Nederland terechtgekomen.

Ik stap uit en kijk om me heen. Boven het asfalt en de rijen met auto’s voor en achter mij trilt de lucht van de hitte. Op de radio hoor ik dat er een ongeluk is gebeurd en dat de snelweg voor onbepaalde tijd is afgesloten. Ik kijk op mijn horloge. Wil is al gearriveerd in de bossen bij Zoomstede, liggend in een dichte kist. Zijn crematiedienst begint over twintig minuten. Ik laat me weer terug achter het stuur zakken. De tranen rollen van mijn wangen naar mijn kin en landen op mijn schoot. Ik pak mijn mobiel en bel mijn moeder. Luisterend naar de sussende klank van haar stem zet ik de motor af; de crematiedienst ga ik met geen mogelijkheid meer halen. Ik hang op en zet de radio harder. De DJ van radio Veronica roept op tot het aanvragen van muziek via sms. In een opwelling pak ik mijn mobiel en verstuur de tekst: “Ik sta in een file en ga daardoor de crematie van mijn beste jeugdvriend missen. Kunnen jullie een liedje voor hem draaien?” Ik sla met beide handen hard op het autostuur en haal dan een paar keer diep adem.

Een half uur lang zit ik zwetend in de auto. “Sorry,” zeg ik hardop tegen Wil. Dan hoor ik voor en achter me auto’s starten. Ik kijk op m’n horloge; de dienst is bijna voorbij. Op het moment dat ik in de eerste versnelling wegrijd, hoor ik op de radio: “Eef vraagt een liedje aan voor haar jeugdvriend, van wie ze de crematie gaat missen omdat ze in de file staat. Hier komt ie, het is een liedje van Metallica.” Ondanks de hitte krijg ik kippenvel. Metallica… dat is de band waar Wil zo van hield tijdens onze middelbare schooltijd. Ik troost me met de gedachte dat dit geen toeval kan zijn en trap het gaspedaal in.

 


Share Button
comment?