Tag: sterven

Aug 10

Twee stukken

De avond ervoor: eten met vriendinnen, bij een Aziatische tent in Utrecht. Waar we Japanse sushi bestellen die niet naar Japan smaakt. Waar we met z’n drieën een portie brood krijgen die slechts uit twee stukjes bestaat. Waar de bediening niet snapt dat wij daar iets van zeggen. De regen klettert op het plastic dak van de loods waar we het brood delen. We turen in een bakje groene blubber met balletjes en stellen vast dat het de curry met spinazie moet zijn. We overwegen om een pizza te laten bezorgen, daar, ter plekke in die loods, en lachen om het idee.

De weg naar huis: autoradio voluit en hard meezingen. Voor me een te langzaam optrekkende camper, waardoor ik de groene golf niet haal. Drempels zorgen voor nog meer vertraging. Ik denk aan mijn dochter die al slaapt. Aan het zachte, ongemerkte kusje dat ik haar op één van haar warme wangetjes ga geven. In onze volgeparkeerde straat prop ik mijn auto in het kleinste plekje. Ik houd mijn arm omhoog tegen de regen waar ik doorheen moet om de voordeur te bereiken.

Op de bank: nog even een beetje tv. Mijn Lief heeft salade voor mij bewaard. Met het bord op schoot kijk ik een opgenomen aflevering van De Beste Singer-Songwriter Van Nederland. Kauwend luister ik ingespannen naar gecomponeerde woorden en gitaarmuziek. Samen met een tomaatje slik ik mijn tranen weg. Het thema van de uitzending is protest.

 

 

Onder de dekens: moe en toch nog even willen lezen. The World according to Garp van John Irving. De passage waarin duidelijk wordt dat Garps zoontje het niet heeft overleefd. Ik kijk op de wekker, het is laat. Nog twee bladzijden tot het einde van het hoofdstuk. Mijn ogen vallen al bijna dicht.

De ochtend: een waterig zonnetje, een kop koffie en een licht ochtendhumeur. Boven begint zacht het wakkerhuiltje van mijn dochter. Ik veer op, kan haar nog even zien voordat ik ga. Zij, liggend op het aankleedkussen, haar armpjes uitstrekkend naar mijn hals. Haar warme vingertjes kriebelend achter mijn oren. Het weekend in zicht. Aan de keukentafel samen een boterham. Zij een bekertje melk, ik nog een kopje koffie.

En dan, een sms-je van een vriend. Over dat zijn dochtertje gisteravond na negentien weken ter wereld is gekomen. Over dat ze donderdag wordt begraven.

Het volgende moment: huilen en minutenlang niet meer kunnen stoppen.

Daar, kilometers bij mij vandaan, speelde zich gisteravond een drama af.

De dood versus twee stukken brood.

 

Share Button
12 comments
Mar 31

Ik ben inmiddels overleden

Een reclameposter. Een close-up van een mannengezicht. Daarnaast de tekst “Ik ben inmiddels overleden”. Ik fiets eraan voorbij, maar het gezicht van de man zit al in mijn hoofd en de tekst opent een vat met zorgvuldig opgeborgen gedachten. Ik was het even vergeten. Dat ik bang ben.

Bang voor die kleine hoekjes waar de ongelukken in zitten. De hoekjes met voeten in sokken en gladde traptreden en uitglijden en verkeerd terechtkomen. Met roekeloze bestuurders en inhalen en een vangrail en een harde klap. En natuurlijk voor dat ene, vreselijke hoekje met mijn eigen straat, mijn eigen kind, een auto en een bal.

Bang voor het telefoontje dat ervoor zorgt dat ik midden in de nacht in mijn pyamabroek in de auto stap, omdat één van mijn ouders de ander heeft gevonden. Bang dat ik grijs en alleen achterblijf in een klein appartementje waar de planten verdorren, omdat mijn Lief die altijd water gaf. Bang voor de frons van de dokter die zegt dat het simpele testje een onverwacht gecompliceerde uitslag heeft.

Soms sluip ik ‘s avonds laat het kamertje van mijn dochter binnen. In het schemerdonker ga ik op mijn hurken zitten en kijk door de spijlen van haar bedje hoe ze op het huidkussentje ligt dat haar wang is. Minutenlang luister ik aandachtig naar haar zachte adem.

“Ik ben inmiddels overleden”. Misschien, denk ik, terwijl ik een rotonde opfiets, is de man een model; een acteur die ik volgende maand tegenkom in een reclame over scheerschuim, een wasmiddel, een kledingmerk.

Maar ik ben bang van niet.

 

Share Button
11 comments
Nov 06

Wil

Een zonnige zaterdagochtend in de zomer van 2010. Ik zit in de auto, op weg van Utrecht naar mijn geboortestreek. Ik heb ruim twee uur voor de reis ingepland, om er zeker van te zijn dat ik niet te laat kom. Het is al behoorlijk warm voor de tijd van de dag. Bij Breda begint het verkeer ineens langzamer te rijden. Ik veeg een zweetdruppeltje van m’n slaap, stuur de auto enigszins naar links en tuur langs een lange rij achteruitkijkspiegels, op zoek naar een aanwijzing die een file op zaterdagochtend kan verklaren. Een paar minuten later sta ik stil, samen met tientallen andere weggebruikers; ik ben in de enige lange, stilstaande weekend-file in heel Nederland terechtgekomen.

Ik stap uit en kijk om me heen. Boven het asfalt en de rijen met auto’s voor en achter mij trilt de lucht van de hitte. Op de radio hoor ik dat er een ongeluk is gebeurd en dat de snelweg voor onbepaalde tijd is afgesloten. Ik kijk op mijn horloge. Wil is al gearriveerd in de bossen bij Zoomstede, liggend in een dichte kist. Zijn crematiedienst begint over twintig minuten. Ik laat me weer terug achter het stuur zakken. De tranen rollen van mijn wangen naar mijn kin en landen op mijn schoot. Ik pak mijn mobiel en bel mijn moeder. Luisterend naar de sussende klank van haar stem zet ik de motor af; de crematiedienst ga ik met geen mogelijkheid meer halen. Ik hang op en zet de radio harder. De DJ van radio Veronica roept op tot het aanvragen van muziek via sms. In een opwelling pak ik mijn mobiel en verstuur de tekst: “Ik sta in een file en ga daardoor de crematie van mijn beste jeugdvriend missen. Kunnen jullie een liedje voor hem draaien?” Ik sla met beide handen hard op het autostuur en haal dan een paar keer diep adem.

Een half uur lang zit ik zwetend in de auto. “Sorry,” zeg ik hardop tegen Wil. Dan hoor ik voor en achter me auto’s starten. Ik kijk op m’n horloge; de dienst is bijna voorbij. Op het moment dat ik in de eerste versnelling wegrijd, hoor ik op de radio: “Eef vraagt een liedje aan voor haar jeugdvriend, van wie ze de crematie gaat missen omdat ze in de file staat. Hier komt ie, het is een liedje van Metallica.” Ondanks de hitte krijg ik kippenvel. Metallica… dat is de band waar Wil zo van hield tijdens onze middelbare schooltijd. Ik troost me met de gedachte dat dit geen toeval kan zijn en trap het gaspedaal in.

 


Share Button
comment?