Tag: muziek

Jul 29

Pop life


Pop Life door tpryorl

What’s the matter with your life?
Is the poverty bringing U down?
Is the mailman jerking U ’round?
Did he put your million dollar check in someone else’s box?
Tell me

What’s the matter with your world? 
Was it a boy when U wanted a girl? 
Don’t U know straight hair ain’t got no curl? 
But life – it ain’t real funky unless it’s got that pop
Dig it

Ik ren door het park, mijn Sennheiser hoofdtelefoon op hard, het knerpende grind onder mijn hardloopschoenen het enige geluid dat zacht op de achtergrond doordringt. Tonen van een keyboard rechts onder mijn oor zwellen langzaam achter mijn ogen langs naar links, drums vullen de ruimte van binnenuit. De maat van mijn adem verliest zich in de muziek. En dat is goed, weet ik. Te veel letten op ritme en regelmaat werkt niet, zorgt voor steken en stress. Het pad beweegt door schaduwen van bladeren die de hitte nu nog filteren. Witte kippen snellen dicht voor mijn voeten opzij. In mijn eentje, zo dicht bij huis en toch zo ver van alles weg, lijkt de wereld zonder zorgen. Lijk ik zonder zorgen.

Vasthouden.

Baf, een keiharde bal tegen mijn linkerarm. Bijna struikel ik, zet wat extra passen. Ik kijk om me heen. Een groepje jongens met laaghangende broeken en half lang haar staat tien meter achter me. Ze lachen. Hard. Onder de akkoorden voel ik mijn adem hoog, hoger.

Focus.

Ogen op het pad, voet voor voet. Doorgaan. Er is voldoende ruimte om naar links en rechts te gaan, te rennen, te kruipen, te dansen, te stampen. Voldoende terrein om naar uit te wijken. Ik ren de hoek om een stukje bos in. De wind waait koeltjes tegen het prikkelende zweet op mijn wangen en voorhoofd. Ik voel mijn volle verstand langzaam lichter worden. Niet leeg, dat nooit. Ik heb geen aangeboren knop om mijn hoofd gedachteloos te maken. Ik kan hoogstens het licht daarbinnen even dimmen, zodat ik alleen de contouren van al het rumoer kan zien. De zware tonen van tonnen vol getob even wat zachter, als een zwakke bas op de achtergrond.

Mijn lief zegt weleens dat mijn geest gedijt op gepieker. Daar denk ik dan een tijdje over na. Hij heeft gelijk. Gaan dingen te lang te goed, dan ga ik op zoek. In het gras. Naar dat addertje. Ik vind er altijd wel één. Of een ander beest dat me plotseling in mijn hielen bijt. Er is een boel gras op deze wereld. Veel veld waar ik me steeds weer uit laat slaan.

Na de volgende bocht besluit ik om het park via de zij-ingang te verlaten. Van het ene op het andere moment gaat het kiezelige geknerp over in geluidloos gestoeptegeld lopen. Minder weerstand. Makkelijker. Monotoon.

Op het kruispunt vlakbij mijn huis ga ik wandelen. Ik zie mensen glimlachen, sommigen blijven even staan. Dan zie ik hem, de haan, midden op het kruispunt. Met zijn geelrode kop trots in de hoogte kraait hij naar zijn omgeving. Een paar auto’s razen rakelings langs hem. Het beest blijft onbewogen. Ik doe mijn hoofdtelefoon af. Voor het eerst sinds veertig minuten hoor ik mijn eigen adem, voel ik het bloed in mijn oren bonzen. Een donderend dreunen vult de lucht als een bus uit de verte dichterbij dendert. Ik slenter verder en kijk nog een paar keer om, naar de haan uit het park.

Diep inademen. Loslaten.

Share Button
6 comments
Nov 06

Wil

Een zonnige zaterdagochtend in de zomer van 2010. Ik zit in de auto, op weg van Utrecht naar mijn geboortestreek. Ik heb ruim twee uur voor de reis ingepland, om er zeker van te zijn dat ik niet te laat kom. Het is al behoorlijk warm voor de tijd van de dag. Bij Breda begint het verkeer ineens langzamer te rijden. Ik veeg een zweetdruppeltje van m’n slaap, stuur de auto enigszins naar links en tuur langs een lange rij achteruitkijkspiegels, op zoek naar een aanwijzing die een file op zaterdagochtend kan verklaren. Een paar minuten later sta ik stil, samen met tientallen andere weggebruikers; ik ben in de enige lange, stilstaande weekend-file in heel Nederland terechtgekomen.

Ik stap uit en kijk om me heen. Boven het asfalt en de rijen met auto’s voor en achter mij trilt de lucht van de hitte. Op de radio hoor ik dat er een ongeluk is gebeurd en dat de snelweg voor onbepaalde tijd is afgesloten. Ik kijk op mijn horloge. Wil is al gearriveerd in de bossen bij Zoomstede, liggend in een dichte kist. Zijn crematiedienst begint over twintig minuten. Ik laat me weer terug achter het stuur zakken. De tranen rollen van mijn wangen naar mijn kin en landen op mijn schoot. Ik pak mijn mobiel en bel mijn moeder. Luisterend naar de sussende klank van haar stem zet ik de motor af; de crematiedienst ga ik met geen mogelijkheid meer halen. Ik hang op en zet de radio harder. De DJ van radio Veronica roept op tot het aanvragen van muziek via sms. In een opwelling pak ik mijn mobiel en verstuur de tekst: “Ik sta in een file en ga daardoor de crematie van mijn beste jeugdvriend missen. Kunnen jullie een liedje voor hem draaien?” Ik sla met beide handen hard op het autostuur en haal dan een paar keer diep adem.

Een half uur lang zit ik zwetend in de auto. “Sorry,” zeg ik hardop tegen Wil. Dan hoor ik voor en achter me auto’s starten. Ik kijk op m’n horloge; de dienst is bijna voorbij. Op het moment dat ik in de eerste versnelling wegrijd, hoor ik op de radio: “Eef vraagt een liedje aan voor haar jeugdvriend, van wie ze de crematie gaat missen omdat ze in de file staat. Hier komt ie, het is een liedje van Metallica.” Ondanks de hitte krijg ik kippenvel. Metallica… dat is de band waar Wil zo van hield tijdens onze middelbare schooltijd. Ik troost me met de gedachte dat dit geen toeval kan zijn en trap het gaspedaal in.

 


Share Button
comment?