Tag: jeugd

Nov 13

Wereldbeeld

In het winkelcentrum vier straten verderop is een man neergestoken. Of eigenlijk een jongen, hij was negentien jaar oud. Ik duw de wandelwagen met mijn acht maanden oude dochter langs de plek waar hij is doodgebloed. Er liggen bloemen en kaarten. Buiten dreunen drukke bussen voorbij en toeteren auto’s naar roekeloze scooters. Een man met een zwart petje zit op een bankje en rookt een sigaret met een dikke punt. De kruidige geur prikt in mijn neus. Ik overweeg over te steken.

Sinds de komst van mijn dochter bekijk ik de randstad met andere ogen. Bovendien ben ik niet meer zo’n fan van het acht uur journaal. Het is niet zo dat ik mijn ogen wil sluiten voor de actualiteit, maar de rampberichten herinneren mij er dagelijks aan dat mijn dochter opgroeit in een harde, gevaarlijke wereld. Meer dan eens vraag ik mij af of het veiliger is om te verhuizen naar een dorp. Een kleine gemeente met slechts twee basisscholen waar ik mijn kind niet vóór haar eerste verjaardag moet hebben ingeschreven om verzekerd te zijn van een plek. Waar een oud dametje bij de AH niet wordt uitgescholden door tienjarige jochies, omdat ze de voetbalplaatjes voor haar eigen kleinkinderen bewaart. Een dorp zoals mijn geboorteplaats, waar het naar landmest ruikt in plaats van naar uitlaatgassen of wiet. Met een politiecorps bestaande uit twee personen voor wie een diefstal bij het tankstation een uitdaging lijkt, totdat blijkt dat de dorpsbewoners de 83-jarige meneer De Klerk er zelf al op hebben aangesproken dat hij weer is vergeten om zijn benzine af te rekenen.

Ik bespreek het met mijn Lief tijdens het avondeten. Hij knikt begrijpend en we filosoferen wat over vrijstaande boerderijtjes, hutten bouwen en bewegingsvrijheid. We zitten midden in een fantastisch toekomstbeeld als de telefoon gaat. Het is mijn moeder. “Zet het journaal eens op,” zegt ze. Ik zet de tv aan en we vallen midden in een bericht over een vermoord achtjarig jongetje. Doodgestoken in een klaslokaal op mijn vroegere basisschool. We kijken in stilte naar het bericht dat zich de hele avond op meerdere zenders herhaalt. Terwijl twee buurjongetjes buiten een balletje trappen, blijven wij nog een hele tijd zo zitten.

N.a.v. de moord op Jesse Dingemans op 1 december vijf jaar geleden. 

Share Button
4 comments
Nov 12

Zusje

Mijn moeder staat al in de deuropening. “Ik hoor het altijd als de bus aankomt,” zegt ze. We omhelzen elkaar en ik loop achter haar aan de woonkamer in. Als ik op de bank zit gaat ze zomaar naast me zitten. Ze heeft die blik in haar ogen. Die blik had ze vroeger als ik te laat thuiskwam van een feestje zonder het te laten weten, of als mijn vader last had van zijn rug. “Je zus is ook thuis,” zegt ze. “David heeft het gisteren uitgemaakt.” Ik zuig een teug lucht naar binnen en wil opstaan. “Ze ligt al te slapen,” zegt ze. We kijken nog een half uur naar een slechte comedy en gaan dan ook naar bed.

De keukendeur zwaait open en mijn zus staat in de deuropening. Ze loopt langzaam naar de keukentafel. Haar schouders hangen een beetje. “Goedemorgen,” zeg ik en zet de kop koffie die ik net naar m’n mond had gebracht weer terug op tafel. “Ben je naar de kapper geweest?” In gedachten sla ik mezelf voor m’n hoofd. Mijn zus knikt. Ze heeft nog geen make-up op en haar oogleden zijn gezwollen. Ze zet de radio wat harder, gaat aan tafel zitten en smeert in stilte een boterham. Ik observeer haar. Met haar korte blonde haren, haar ronde lichaam en haar rustige, soms zelfs koele karakter is ze het tegenovergestelde van wat ik ben. Ze kijkt op, pakt een tijdschrift, maar bladert veel te snel om iets te kunnen lezen. Ineens is ze weer mijn kleine, onschuldige zusje. Ik voel een benauwend gevoel opstijgen naar mijn keel. Mijn zusje neemt een hap van haar boterham en haar mondhoeken krullen zich tot een flauwe glimlach. “Ik ga heus niet zitten janken hoor,” zegt ze kauwend, “dat heb ik gisteravond al gedaan. Het leven gaat door.” Ik knipper even met m’n ogen. Ze staat op, loopt naar het aanrecht en vraagt of ik ook nog koffie wil. Ik zeg dat ik al twee mokken op heb. Na een paar tellen kijk ik achterom. Ze staat met haar rug naar me toe en haar schouders maken kleine, schokkende bewegingen. Ik schuif mijn stoel in één beweging naar achter en loop snel naar haar toe. “De koffie is op,” zegt ze met een betraand gezicht. Ik geef haar een zakdoekje. “Ga maar zitten,” zeg ik en duw haar zacht opzij, “ik zet wel even nieuwe.”

Share Button
comment?
Nov 06

Wil

Een zonnige zaterdagochtend in de zomer van 2010. Ik zit in de auto, op weg van Utrecht naar mijn geboortestreek. Ik heb ruim twee uur voor de reis ingepland, om er zeker van te zijn dat ik niet te laat kom. Het is al behoorlijk warm voor de tijd van de dag. Bij Breda begint het verkeer ineens langzamer te rijden. Ik veeg een zweetdruppeltje van m’n slaap, stuur de auto enigszins naar links en tuur langs een lange rij achteruitkijkspiegels, op zoek naar een aanwijzing die een file op zaterdagochtend kan verklaren. Een paar minuten later sta ik stil, samen met tientallen andere weggebruikers; ik ben in de enige lange, stilstaande weekend-file in heel Nederland terechtgekomen.

Ik stap uit en kijk om me heen. Boven het asfalt en de rijen met auto’s voor en achter mij trilt de lucht van de hitte. Op de radio hoor ik dat er een ongeluk is gebeurd en dat de snelweg voor onbepaalde tijd is afgesloten. Ik kijk op mijn horloge. Wil is al gearriveerd in de bossen bij Zoomstede, liggend in een dichte kist. Zijn crematiedienst begint over twintig minuten. Ik laat me weer terug achter het stuur zakken. De tranen rollen van mijn wangen naar mijn kin en landen op mijn schoot. Ik pak mijn mobiel en bel mijn moeder. Luisterend naar de sussende klank van haar stem zet ik de motor af; de crematiedienst ga ik met geen mogelijkheid meer halen. Ik hang op en zet de radio harder. De DJ van radio Veronica roept op tot het aanvragen van muziek via sms. In een opwelling pak ik mijn mobiel en verstuur de tekst: “Ik sta in een file en ga daardoor de crematie van mijn beste jeugdvriend missen. Kunnen jullie een liedje voor hem draaien?” Ik sla met beide handen hard op het autostuur en haal dan een paar keer diep adem.

Een half uur lang zit ik zwetend in de auto. “Sorry,” zeg ik hardop tegen Wil. Dan hoor ik voor en achter me auto’s starten. Ik kijk op m’n horloge; de dienst is bijna voorbij. Op het moment dat ik in de eerste versnelling wegrijd, hoor ik op de radio: “Eef vraagt een liedje aan voor haar jeugdvriend, van wie ze de crematie gaat missen omdat ze in de file staat. Hier komt ie, het is een liedje van Metallica.” Ondanks de hitte krijg ik kippenvel. Metallica… dat is de band waar Wil zo van hield tijdens onze middelbare schooltijd. Ik troost me met de gedachte dat dit geen toeval kan zijn en trap het gaspedaal in.

 


Share Button
comment?
Nov 06

Schooltijd

De jaren negentig. Onder het afdakje bij de ingang van het Juvenaat in Bergen op Zoom staat het welbekende rokersgroepje; ouderejaars met lange zwarte jassen en getoupeerd haar. Binnen houdt de conciërge alles in de gaten vanachter zijn glazen schuifraampjes, altijd een kopje koffie of soep in de aanbieding voor diegenen die er zijn uitgestuurd. In de gangen is het druk. Tassen worden van een zo groot mogelijke afstand in de daarvoor bestemde rekken gegooid – dat is een sport – en ‘brugpiepers’ rennen om conrector Quinten heen, die zichtbaar moeite doet om even vrolijk te blijven als de kleur van zijn colbert. Bij de lerarenkamer staat rector Schneiders – groot glimmend gezicht, toefje grijze haren, handen op de rug, wippend op de bal van zijn voeten – naar de menigte in de aula te kijken. Met een gele melkkaart in de hand wachten leerlingen in de rij bij de kantine, maar de meesten lopen in de pauze naar de supermarkt achter de school. De daar gekochte koeken worden tegen de regels in opgegeten op het studiebalkon.

In de lessen gaat het er soms roerig aan toe. Er gonzen geruchten die aangeven hoe zeer wij bezig zijn met het opzoeken van onze eigen en andermans grenzen. Een leerling saboteert op dusdanige wijze de Engelse les dat ze een bloempotje naar haar hoofd krijgt; een andere leerling heeft zo’n grote mond dat hij de inhoud van zijn boekentas uit het raam van de eerste verdieping ziet verdwijnen. In weer en wind stapt conrector Quinten in zijn knalgele regenpak op de fiets om een groepje spijbelaars uit het café in het centrum van de stad te gaan halen. Een vierdeklasser die tijdens een tussenuur te diep in het glaasje heeft gekeken wordt in de aula op een gymmat gelegd om bij te komen. Intussen worden er in de woonwagen op het schoolplein wel heel bijzondere sigaretten gerookt en wordt er gezoend achter het noodgebouw.

Het Juvenaat, een school die zich kenmerkte door een grote mate aan vrijheid in alle denkbare opzichten. Een school met – ook al voelden we dat destijds natuurlijk anders – ruimdenkende leraren en een ongewoon, doch doeltreffend beleid: neem die vrijheid, maar accepteer de gevolgen als je er verkeerd mee omgaat. Hartige woordjes werden gesproken door boegbeelden als Ome Leo en Anita Dietvorst, bij wie je met alles terecht kon, of je nu een tampon of een therapeut nodig had. Het Juvenaat was ook een ‘coole’ school. De feesten stonden in de wijde omtrek bekend als ruig (er werd toen nog gewoon alcohol geschonken), de Romereis was een indrukwekkend hoogtepunt van je schoolcarrière (jaren later herken ik tijdens een Rometrip het beeld van Laocoön en weet ik nog steeds hoe het zit met die draken) en de leraren waren stuk voor stuk unieke exemplaren. Zoals Vosman, die met zijn bekende ‘TATUUT, TATUUT’ door de gangen rende. Hugo de catecheseleraar die ondanks het stoffige imago van het vak zijn klassen wist te boeien met zijn verhalen – “Pas op! Er zijn altijd Apers op de kust!”. En een wandelende wiskundelerares en aardrijkskundeleraar van wie ik me tot op de dag van vandaag afvraag of het nu ooit iets is geworden tussen die twee. Ik herinner me de geweldige toneelstukken, geregisseerd door Robert van Schaik, en de laatste schooldag-stunts van de examenklassen, waarmee Farid Mezghad als ‘God’ de krant haalde. De schoolbands met Tim Kemperman en Ties Mellema, op wiens muziek werd ’gepogood’ ook al hoorde dat bij een totaal ander genre. De kerstgala’s compleet met Big Band, waarop we onze eerste foxtrot dansten.

Inmiddels leven we in de 21e eeuw en als ik op een ochtend de krant open sla, lees ik dat het Juvenaat een nieuw logo heeft met de kernwaarden baanbrekend, onverschrokken, onderscheidend, betrokken en uitmuntend. Ik denk aan mijn eigen schooltijd en voeg er in gedachten een zesde kernwaarde aan toe: autonoom. Want op het Juvenaat mocht iedereen zichzelf zijn, ook als je op dat moment (nog) niet jezelf was.


Share Button
comment?