Tag: identiteit

Mar 01

Balans

In mijn mailbox zit een bericht van een vroeger dorpsgenootje. De herkenning van haar naam opent direct een bak vol beelden. Ik zie het huis voor me waar zij destijds woonde met haar ouders. De weidse polder daarachter. Daaromheen ploppen de huizen van andere klasgenootjes en de basisschool waar we heen gingen uit de denkbeeldige plattegrond omhoog. Ik ruik als het ware weer de geur van koeiemest die eens in de zoveel tijd door het dorp dreef. Ik herleef situaties die ergens in een stoffig hoekje van mijn brein waren opgeslagen.

Ik rijd op mijn fiets van huis naar school. Het is een nieuwe fiets, ik heb hem voor mijn verjaardag gekregen. Hij is nog best een beetje groot, maar mán, wat is ie mooi. Glimmend donkerblauw frame met hier en daar wat zwierige, witte letters. Ik duw mijn trotse bezit het schoolplein op. Links staat een groepje zesdeklassers. Ze moeten lachen. “Is die fiets niet een beetje groot voor jou?” roept één van de jongens. “Hee fiets, waar ga jij met dat meisje naar toe?” roept een ander. Ik duw mijn fiets het fietsenhok in, waar het me door de plotseling opgekomen zenuwen niet direct lukt om hem in één van de rekken te plaatsen. De wind giert door de kieren van het hok. Iemand roept “Ben je onder je eigen fiets terechtkomen ofzo?!” Als ik me verschrikt omdraai stoot ik mijn schooltas van de bagagedrager. Schriften en boeken glijden eruit, de wind rukt direct aan opengeslagen blaadjes. Ze maken een onrustig, klapperend geluid. Op de achtergrond hoor ik de jongens nog steeds lachen. Ik pak zo langzaam als ik kan mijn tas weer in, zodat ik niet tegelijk met de jongens het schoolgebouw in hoef.

Balans

Thuis ga ik voor de spiegel staan en plaats mijn handen in mijn zij. Ik oefen stoere, trotse blikken en bedenk zinnetjes die ik kan zeggen als ik de jongens de volgende keer tegenkom. Met mijn laarzen en spijkerbroek maak ik toch best een zelfverzekerde indruk? Ik ben niet echt een meisje-meisje. Ik draag geen jurkjes of vlechtjes en bouw graag hutten in het bos. Ik wéét dat ik een mooie fiets heb. Hoe kan het dan dat diezelfde fiets ervoor zorgt dat ik niet kan slapen?

Het vroegere dorpsgenootje en ik mailen wat heen en weer. Ze beschrijft hoe ze mij jaren later op de middelbare school waarnam en gebruikt woorden als ‘scherp’ en ‘fel’. In mijn hoofd start een nieuw filmpje op: ik, midden op straat ruziemakend met mijn beste vriendinnetje, bijtend naar klasgenoten die iets vervelends tegen me zeiden, onverschillig in het kamertje van de rector, boos op de redactie van de schoolkrant omdat ik het niet eens was met hun correcties.

Vandaag kijk ik opnieuw in de spiegel. Ik zie een kleine vrouw in spijkerbroek, met korte haren en een lichte frons. Een vrouw die zonder aarzeling het schoolplein op stapt, maar nog steeds een beetje schrikt als nare jongens haar onterecht commentaar toeschreeuwen. Die zichzelf er nog regelmatig van moet overtuigen dat ze als reactie best een keer haar tong mag uitsteken.
Als ik op de fiets stap om naar mijn werk te gaan, schaaft een trapper tegen het hekje van de buren en verlies ik bijna mijn evenwicht. Na wat geslinger hervind ik mijn balans en zet mijn voeten stevig op de trappers. Ik merk slechts een lichte tegenwind. Ik ben op tijd, ik kom er wel.

Share Button
3 comments
Nov 08

Van die vrouwendingen

Ik heb niet zo veel met mode en beauty. Slechts een paar keer per jaar geef ik geld uit aan make-up of verzorgingsproducten. Meestal als mijn mascara zodanig is uitgedroogd dat ik geen klontvrije wimpers meer kan produceren, of op het moment dat mijn Lief zich af begint te vragen hoe het komt dat zijn douchegel nu alweer op is.

Afbeelding van Shoppen.blog.nl

Ik ben ook niet zo’n vrouw die heel blij wordt van shoppen. Onvermoeibaar winkel in winkel uit hobbelen, kostbare tijd verspillen met het in de rij staan voor overvolle paskamers met giechelende tieners, tassen slepend met kledingstukken waarvan je al minstens drie vergelijkbare exemplaren in de kast hebt hangen; het is mij allemaal vreemd. Maar goed, ook ik ga natuurlijk graag fatsoenlijk gekleed en ben daardoor soms genoodzaakt tot het kopen van kleding.

Vandaag is het weer zover en gelukkig voel ik weinig weerstand. Het is een doordeweekse dag – dus zo min mogelijk kans op drommende mensenmassa’s – en ik heb een vastomlijnd plan: een ‘little black vest’. Zo’n handig, niet al te opvallend, maar o zo lekker zittend, warm vest dat goed staat boven elke spijkerbroek en in combinatie met ieder T-shirt. Het lijkt een simpele opgave, dus ik heb goede hoop op succes.

Bij de V&D – waarvan ik denk dat het een slimme keuze is, omdat daar meerdere merken en stijlen worden aangeboden – blijkt de term ‘simpel zwart’ niet tot de winkelfilosofie te behoren. Overal waar ik kijk schreeuwen felle kleuren, gouden knopen, glitterriemen en regenboogmotieven mij toe: “Wij passen niet bij jou!” Snel baan ik me weer een weg naar buiten, richting de wat kleinere kledingwinkels. In een pijpenla met een buitensporig grote glimmende entree word ik direct bij de deur aangesproken door een dichtgeplamuurde, zwaar geparfumeerde dame in mantelpak. Als ik haar vertel dat ik een simpel zwart vest zoek, schudt ze minzaam haar hoofd.  ”Nee, wij bieden alleen de actuele trend: barokke stijlen, veel kleur. Dussss….” Ik vraag me af of de lippenstift op haar voortanden dussss ook de nieuwste trend is en verlaat snel de winkel.

Ook een paar deuren verder geen passende vesten; alleen maar lange, hobbezak-achtige lappen met grote zakken. Toegegeven, met zo’n oversized vest om mijn lijf zou het niet meer opvallen dat ik vrij korte benen heb en dat ik sowieso klein van stuk ben, maar dat zou dan komen doordat ik in zo’n gewaad helemáál niet meer opval. Dat lijkt me niet het gewenste effect. Een uur en vijf winkels later stap ik daarom zonder plastic tasje weer op de fiets. Genietend van de herfstzon rijd ik een straatje om, zodat ik langs mijn favoriete bakkertje kom. Ik vind dat ik als pleister op de wonde een groot stuk carrot-cake heb verdiend.

Thuis aangekomen zet ik een kopje koffie. Ik leg het doosje met de carrot-cake in de koelkast, naast het zakje slagroomtruffels en (“o ja..!”) het doosje met het stuk mokka-schuimgebak dat ik gisteren heb gekocht. Tevreden ga ik met mijn mok aan de keukentafel zitten. Ik ben blij dat ik niet zo’n vrouw ben die alleen maar dingen in huis haalt die ze niet persé nodig heeft.

Share Button
4 comments
Oct 27

Deze tekst is niet perfect

Ik lees het blog Hoe mooi lastige mensen kunnen zijn van Jacob Jan Voerman. Het maakt me een beetje treurig. De lastige mensen in zijn verhaal zijn mensen die door de samenleving zijn opgegeven, maar die zulke mooie verhalen met zich meedragen. Het ontroert me ook. Het mooie aan het verhaal van Jacob Jan is de manier waarop hij met deze mensen omgaat. Hij probeert ze niet op te peppen of te enthousiasmeren. Hij ziet en hoort dat ze dat juist niet nodig hebben. Het enige wat hij doet is luisteren. Naar de verhalen die ervoor hebben gezorgd dat die mensen zijn wie ze zijn.

Ik denk aan onze samenleving en hoe zeer iedereen toch maar van ons verlangt dat we dóórgaan, sterk zijn, aanpakken, het van de positieve kant bekijken.

Terwijl dat soms gewoon even niet lukt.

Achter de one way mirror laat ik alle schuldigen weer opdraven: de industrie, de politiek, de machtigen, de meedogenlozen. Dan stuurt Jacob Jan me een link naar de lezing onderaan deze tekst. Eén van de eerste uitspraken van Brené Brown slaat in als een bom: De betekenis van ‘beschuldigen’: een manier om je te ontdoen van pijn en ongerief.  

Ik moet even slikken. Waar zit precies mijn pijn? Van welk ongerief wil ik me ontdoen? Ik denk aan de keren dat mijn Lief mij ergens ‘de schuld van geeft’. En voel ineens ook zijn pijn.
Ik laat de toespraak in het filmpje verder op me inwerken. Na een paar minuten kijken en luisteren springen er ineens tranen in mijn ogen. Ik schrik ervan: deze vrouw brengt mijn worsteling onder woorden. Het gevecht tegen het gevoel niet-perfect te zijn. Vasthouden aan datgene wat ik denk te moeten zijn, terwijl ik juist ruimte zou moeten geven aan de persoon die ik bén. De moed vinden om je kwetsbaar op te stellen.

Kwetsbaarheid, een mooi woord, vind ik. Kwetsbaar zijn betekent openlijk tegen iedereen om je heen durven zeggen: “Kijk, mij kun je kwetsen. En ik schaam me daar niet voor.” Dat je onzekerheden aandurft. Dat je het durft om onzeker te zijn.

Ik ben over veel dingen onzeker, zelfs over de vraag of ik deze tekst online moet zetten. Ik besluit om er eens een keer niet aan toe te geven. Kijk mensen, ik heb geen perfecte tekst geschreven! Maar misschien heb jij desondanks wel naar de inhoud geluisterd.

 

Share Button
4 comments
Oct 17

Van zelf sprekend

Ja maar, zei de ander, wat vind JIJ?

Daar moest ik even over nadenken.

Ik ben het er eigenlijk niet mee eens, zei ik.

Vervolgens trok ik een blik ergernissen open en stalde de inhoud uit op de tafel voor ons. De ander keek ernaar en schudde het hoofd. En dus begon ik aan een nieuw betoog vol argumenten. De ander richtte het hoofd op, keek me aan en trok één wenkbrauw op. Het maakte me boos. Nam de ander mij niet serieus? Vond de ander dat ik overdreef? Een nieuwe gedachte kwam in me op. Had ik misschien ooit iets anders beweerd? Haalde ik ongemerkt mijn eigen argumenten onderuit? Ik zweeg. Van onder mijn wimpers spiekte ik even naar de ander, die schijnbaar onbewogen in de koffie roerde. Had ik het nu verpest?

Sorry dat ik je ermee lastigval, zei ik, en sorry als je het niet begrijpt.

De ander tikte het koffielepeltje af op de rand van het kopje en keek verbaasd naar me op.

Ik begrijp het best, zei de ander, je had kunnen stoppen na ‘ik ben het er eigenlijk niet mee eens’, op dat moment had je mijn vraag al beantwoord.

Ik fronsde mijn voorhoofd en vroeg me af wat dit nu weer te betekenen had.

Vraag het me dan! zuchtte de ander.

Oké, zei ik, wat vind je er dan van dat ik het er niet mee eens ben?

De ander keek me diep in de ogen, pakte mijn schouders vast en zei: ik vind er niks van, het is gewoon JOUW mening!

Op dat moment stond de ander op, gaf me een vriendschappelijke knipoog en zei dat we elkaar binnenkort uiteraard weer zagen. Want het was zoals altijd gezellig geweest. En weg was de ander, mij energieloos achterlatend met mezelf.

 

[deze tekst kwam tot stand naar aanleiding van de blogs Het belang van eigenheid en Hoe blijf je bij jezelf van Jacob Jan Voerman]

 

 

 

 

 

 

 

Share Button
6 comments
Oct 06

Leerproces

Mijn dochter is anderhalf jaar oud. Dit zijn haar meest gebruikte woorden:

Baw (bal), auto, opa, oma, papa, mama, chjiets (fiets), boom, boot, bei

koek, bwood (brood), jijbaah (glijbaan), poezzzz (poes), oend (hond), taart (paard), obbepaad (hobbelpaard)

kiekkeh (kikker), eend, kauke (kuiken), pauw, boeeeeh! (koe), ei, olk (wolk)

sok/ook sok (linker sok/rechter sok)

aaien, mooi, oppedekee (hoppekee)

 
oerst (worst), boekkijkeh (boekje kijken), uit, bauk (buik), beebee (baby)

beekeh (beker), jekkeh (lekker), chjees (vlees), chjis (vis)

beisje (meisje), onge (jongen), sitteh (zitten)

oor, oog, neus, auw

haoo (hallo), dag, doeg, doei

ja

nee

 

Vooral het laaste woord gebruikt ze heel bewust. Geen speld meer tussen te krijgen. Maakt niet uit wat een ander ervan vindt, of wat de gevolgen zijn. Ze ligt er niet wakker van.

Ik ben vijfendertig jaar oud. Veel van de bovenstaande woorden gebruik ik dagelijks. Vooral het woord ‘ja’. Terwijl dat niet altijd de juiste woordkeuze is.

Best confronterend: al meer dan dertig jaar kunnen praten en soms nog steeds de verkeerde woorden gebruiken. Blijkbaar is het kind in mij ergens langs de route achtergebleven. Misschien moet ik haar eens gaan zoeken.

Share Button
3 comments
Aug 15

Schappen

[Als ik doodloop. Kan ik enkel nog terug. Naar waar ik vandaan kom. Achteruit. Opnieuw kiezen. Een andere rij in de kast met schappen. Wellicht daar wel bagage. Wel bescherming. Wel betekenis. (...) Die andere rij met schappen. Die bestaat. Het is alleen af en toe flink zoeken.] Deze woorden vond ik op het blog van Steven Gort, waar ik graag heen ga om te lezen. Omdat hij me vaak aan het denken zet. Deze keer over doodlopen, over een andere rij met schappen. 

Met haar witblonde haar en groen-met-roze broekpak zag ik haar al staan voordat ik met mijn fiets bij het kruispunt was aangekomen. Ze zat kaarsrecht op haar zadel te wachten met één voet op een trapper, de andere nonchalant op een paaltje. Ze was groter dan ik. Ze leek ouder. Mijn zomerjack flapperde oversized rond mijn smalle schouders terwijl ik wat harder ging trappen. Naast haar wilde ik naar school fietsen.

We waren elkaars tegengestelde. En toch herkenden en vonden we zoveel in elkaar. Tijdens logeerpartijtjes gingen we samen in bad. Verwonderd vergeleken we onze totaal verschillende lichamen. Zij rond en zacht, ik klein en benig. We hadden onze eigen humor, kregen de slappe lach om onverklaarbare, maar voor ons beiden zo vanzelfsprekende dingen. Haar huid was altijd zacht en ze rook naar frisgewassen haren.

Na school, als we elkaar in de klas al de hele dag briefjes hadden toegeschoven en samen naar huis waren gefietst, hingen we uren met elkaar aan de telefoon, totdat onze moeders onderaan de trap riepen dat we nu toch echt gingen eten. In één van mijn dagboeken schreef ze dat we op ons tachtigste vast en zeker nog steeds gezapig naast elkaar zouden zitten. Ik kan me het moment dat ze het schreef, met een vulpen van school, op de witte wollige vloerbedekking van mijn tienerkamer, met een schaaltje paprikachips op de grond en het gevoel van veiligheid en liefde, herinneren alsof het gisteren was.

Jaren later zie ik haar staan, in de deuropening van haar villa. Ze heeft haar haren weer kort, net als die eerste keer dat we samen naar school fietsten. Ik veeg mijn handpalmen af aan mijn broekspijpen en loop op haar af. We kunnen niet meer lachen, alleen nog maar huilen. En als ik afscheid van haar neem, weet ik dat ik dit schap niet meer kan gebruiken. Het is vol. Er komen geen nieuwe verhalen meer bij. Ik zie ze liggen, al die herinneringen. Mislukte permanentjes en winkelmarathons in Antwerpen. Van de duikplank springen met je kleren aan. Hangend boven een wc-pot elkaars haren uit het gezicht houden. Elkaar kortstondig kwijtraken aan een eerste vriendje en elkaar daarna weer opgelucht terugvinden.

Soms, heel soms, probeer ik nog eens naar dat volle schap te kijken. Om me vervolgens snel om te draaien en terug te rennen. Om bewust te kiezen voor een pad met nieuwe schappen. Vriendschappen zonder verdriet.

Share Button
18 comments
Aug 05

Jij bent steeds een ander

Schrijf ik voor mezelf, of voor een ander? Als ik alleen voor mezelf zou schrijven, zou ik dit net zo goed in een papieren dagboek kunnen doen. Of op een niet-openbare plek op mijn pc. Ik zet mijn teksten echter online. Toegankelijk voor iedereen, leesbaar voor de hele wereld. En als ik reacties krijg op posts, ben ik daar blij mee. Dus… schrijf ik wel degelijk (ook) voor anderen. Voor jou. Ik wil weten wat jij ervan vindt. Maar als je me zou zeggen dat mijn teksen je niets doen, zou ik mijn stijl dan aanpassen? Nee, hoogstwaarschijnlijk niet. Een tekst is nu eenmaal een gedeelte van mij. Zou ik het erg vinden? Ja, want je wijst dan een deel van mij af. En dat vind ik vaak nog erg moeilijk.

'Digit Master' door chimpansee Bakhari

Schrijven is in dit opzicht maar een vreemd ambacht. Ik begon er ooit mee, als kind, omdat ik het leuk vond. Het verzinnen van een verhaal, het kiezen van woorden, dat proces maakte me blij, zorgde voor creativiteit. En ik was er goed in. Als basisschoolmeisje ontving ik als allereerste ooit het cijfer 10 voor een opstel. Ik groeide ter plekke vijf centimeter van pure trots. Vanaf dat moment wist ik: als ik groot ben, word ik schrijfster. Schrijf ik een boek. En vind iedereen mij goed.

Maar wanneer ben je als schrijver ‘goed’? Als je iets publiceert? Als je veel boeken hebt verkocht? David Baldacci is wereldberoemd en verkoopt als een tierelier, maar ik kom niet door zijn boeken heen. Jij misschien wel. Eén van mijn lievelingsboeken, The Secret History van Donna Tartt, werd door een vriendin als ‘taai’ bestempeld. Onbegrijpelijk. Voor mij. Dus wat is toegankelijk en leesbaar, goed of slecht? Wat is kunst, wat is literatuur? En wie bepaalt dat? Een groep critici, vaak van een bepaalde generatie, die een afvinkbare lijst kenmerken heeft opgesteld waar een tekst, boek  of schilderij aan moet voldoen?  Maar hoe zit het dan met hún persoonlijke smaak?

'Flower Pot' door olifant Boon Mee

Flower Pot door olifant Boon Mee

Een tijd geleden zag ik een documentaire over een expositie van abstracte schilderijen. Kunstcritici waren vol lof over de nieuwe kleurencomposities en de onderliggende thema’s van de doeken. Totdat bekend werd dat de doeken door apen waren geschilderd. Tegenwoordig kun je in het Museum of Zoology in London naar een expositie van schilderijen die door dieren zijn gemaakt: Art by Animals. Als de creatieve uitspattingen van dieren al ‘kunst’ worden genoemd, zijn niet alle mensen dan per definitie kunstenaars?

Ik zie mijzelf niet als kunstenaar. Wel als schrijver. Omdat ik schrijf. Dat doe ik voor mezelf én voor een ander. Voor mezelf omdat het mij verlicht. Dat wat ik wil zeggen komt in geschreven woorden altijd beter uit de verf dan hardop uitgesproken. Voor jou, omdat ik weet dat je er bent. Altijd.

Haye van der Heyden schreef ooit een boek met de prachtige titel Jij bent steeds een ander. Jij, de lezer, de toeschouwer, de luisteraar, bent niet iedere dag dezelfde. De ene keer ben je iemand die van ondoorgrondelijke woorden houdt, de andere keer word je blij van column-achtige teksten die een punt maken. Ik ben zelf ook niet iedere dag hetzelfde. De ene keer ben ik boos of verdrietig, de volgende keer tevreden of blij. En mijn teksten zijn dan ook steeds verschillend.

Jou er keer op keer mee weten te raken, dat is de uitdaging. Me niets aantrekken van wat anderen er van vinden, dat is (de) kunst.

Share Button
11 comments
Jul 30

Catharsis

Hoe ver kan ik mee in jouw verleden? Als je me verhalen vertelt krijg ik kippenvel. Branden de tranen vaak in mijn ogen. Ik ben me bewust van mijn hulpeloosheid, want ik ben niet meer dan de toekomst. Deel drie van een triptiek.

Het is alsof ik geblinddoekt naar een film luister waarin jij de hoofdrol speelt, maar waarin anderen het verhaal bepalen. Improvisaties van een groep onervaren acteurs die maar wat deden. Jouw tekst niet konden duiden. Jouw script compleet negeerden. En het verhaal daarmee een dramatische wending gaven. Stoppen kon niet meer, de camera bleef lopen. Er was geen regisseur om in te grijpen. Niemand riep ooit ‘cut!’ Ik luister naar de dialogen, voel de sfeer van de scènes, maar zonder mijn eigen ogen zie ik alleen zwart of wit en mis ik de nuances daartussen. Ik zal die film nooit zien, de beelden zijn lang geleden al verstreken.

Wat rest is mijn voorstellingsvermogen dat nooit toerijkend zal zijn om het verhaal te reconstrueren. Jouw berusting dat de tijd niet kan worden teruggedraaid, dat het verhaal altijd gelijk zal blijven. Het besef dat gerechtigheid niet bestaat. Dat ze soms domweg de andere kant op kijkt, weigert de lompen van haar ogen te halen. Mijn onrust en mijn onvermogen om de gevolgen te overzien. 

Ik vraag niet van je om alles maar te blijven malen. Nieuwe verhalen op te rakelen of handgrepen te verklaren. Ik gun jou je rust, echt. Ons gun ik dat we elkaars passages kunnen plaatsen. Middenin, daar waar de luiken elkaar raken, het verhaal van ons samen.

Catharsis.

Share Button
3 comments
Jul 29

Pop life


Pop Life door tpryorl

What’s the matter with your life?
Is the poverty bringing U down?
Is the mailman jerking U ’round?
Did he put your million dollar check in someone else’s box?
Tell me

What’s the matter with your world? 
Was it a boy when U wanted a girl? 
Don’t U know straight hair ain’t got no curl? 
But life – it ain’t real funky unless it’s got that pop
Dig it

Ik ren door het park, mijn Sennheiser hoofdtelefoon op hard, het knerpende grind onder mijn hardloopschoenen het enige geluid dat zacht op de achtergrond doordringt. Tonen van een keyboard rechts onder mijn oor zwellen langzaam achter mijn ogen langs naar links, drums vullen de ruimte van binnenuit. De maat van mijn adem verliest zich in de muziek. En dat is goed, weet ik. Te veel letten op ritme en regelmaat werkt niet, zorgt voor steken en stress. Het pad beweegt door schaduwen van bladeren die de hitte nu nog filteren. Witte kippen snellen dicht voor mijn voeten opzij. In mijn eentje, zo dicht bij huis en toch zo ver van alles weg, lijkt de wereld zonder zorgen. Lijk ik zonder zorgen.

Vasthouden.

Baf, een keiharde bal tegen mijn linkerarm. Bijna struikel ik, zet wat extra passen. Ik kijk om me heen. Een groepje jongens met laaghangende broeken en half lang haar staat tien meter achter me. Ze lachen. Hard. Onder de akkoorden voel ik mijn adem hoog, hoger.

Focus.

Ogen op het pad, voet voor voet. Doorgaan. Er is voldoende ruimte om naar links en rechts te gaan, te rennen, te kruipen, te dansen, te stampen. Voldoende terrein om naar uit te wijken. Ik ren de hoek om een stukje bos in. De wind waait koeltjes tegen het prikkelende zweet op mijn wangen en voorhoofd. Ik voel mijn volle verstand langzaam lichter worden. Niet leeg, dat nooit. Ik heb geen aangeboren knop om mijn hoofd gedachteloos te maken. Ik kan hoogstens het licht daarbinnen even dimmen, zodat ik alleen de contouren van al het rumoer kan zien. De zware tonen van tonnen vol getob even wat zachter, als een zwakke bas op de achtergrond.

Mijn lief zegt weleens dat mijn geest gedijt op gepieker. Daar denk ik dan een tijdje over na. Hij heeft gelijk. Gaan dingen te lang te goed, dan ga ik op zoek. In het gras. Naar dat addertje. Ik vind er altijd wel één. Of een ander beest dat me plotseling in mijn hielen bijt. Er is een boel gras op deze wereld. Veel veld waar ik me steeds weer uit laat slaan.

Na de volgende bocht besluit ik om het park via de zij-ingang te verlaten. Van het ene op het andere moment gaat het kiezelige geknerp over in geluidloos gestoeptegeld lopen. Minder weerstand. Makkelijker. Monotoon.

Op het kruispunt vlakbij mijn huis ga ik wandelen. Ik zie mensen glimlachen, sommigen blijven even staan. Dan zie ik hem, de haan, midden op het kruispunt. Met zijn geelrode kop trots in de hoogte kraait hij naar zijn omgeving. Een paar auto’s razen rakelings langs hem. Het beest blijft onbewogen. Ik doe mijn hoofdtelefoon af. Voor het eerst sinds veertig minuten hoor ik mijn eigen adem, voel ik het bloed in mijn oren bonzen. Een donderend dreunen vult de lucht als een bus uit de verte dichterbij dendert. Ik slenter verder en kijk nog een paar keer om, naar de haan uit het park.

Diep inademen. Loslaten.

Share Button
6 comments
Jul 20

Struikelblog

Schrijven voorkomt hoorbaar struikelen over woorden. In mijn hoofd liggen gedachten en formuleringen door elkaar op één grote hoop. Verschoven, ondersteboven. Woorden stommelen als onbeholpen kinderen uit mijn mond. Enthousiast en oprecht, maar vaak ook ondoordacht of tactloos.

Schrijven is ordenen. Hier en daar veeg ik wat rondslingerende lettergrepen bij elkaar, ik maak stapeltjes van opmerkingen die hetzelfde lijken te zeggen. En in een hoekje waar het rustig is maak ik een speciaal plekje vrij. Daar komen de woorden die prettig klinken, de zinnen die vloeiend lopen en de beelden die goed passen. Tussen dat hoekje en de chaos loop ik heen en weer. Soms kalm en beheerst, veel vaker ongeduldig en gefrustreerd.

Want er is ook nog dat deurtje naar buiten. Een deur die uitkomt op een klein pleintje, waar ik soms de door mij geordende woordenstroom tevoorschijn tover. Waar passanten blijven staan en aandachtig luisteren. Waar ik zomaar kan worden aangesproken of… waar ik helemaal niet word opgemerkt. Dat laatste raakt me. Vaak laat ik die deur daarom gesloten. Voor de zekerheid.

Vorige week klopte er ineens iemand aan. Hij stak zijn hoofd om de hoek van de deur en zei: kom naar buiten. Haal het slot van de deur. Wees niet bang als mensen naar binnen gluren en de rommel zien. Want dat ben jij.

Aan de overkant van het plein zie ik hem staan, hij steekt met kop en schouders boven de massa uit. En als ik goed luister, hoor ik vooral mooie geluiden.

Ik doe een klein stapje naar vooruit.

Het maakt niet uit als ik struikel.

 

Share Button
18 comments