In mijn mailbox zit een bericht van een vroeger dorpsgenootje. De herkenning van haar naam opent direct een bak vol beelden. Ik zie het huis voor me waar zij destijds woonde met haar ouders. De weidse polder daarachter. Daaromheen ploppen de huizen van andere klasgenootjes en de basisschool waar we heen gingen uit de denkbeeldige plattegrond omhoog. Ik ruik als het ware weer de geur van koeiemest die eens in de zoveel tijd door het dorp dreef. Ik herleef situaties die ergens in een stoffig hoekje van mijn brein waren opgeslagen.
Ik rijd op mijn fiets van huis naar school. Het is een nieuwe fiets, ik heb hem voor mijn verjaardag gekregen. Hij is nog best een beetje groot, maar mán, wat is ie mooi. Glimmend donkerblauw frame met hier en daar wat zwierige, witte letters. Ik duw mijn trotse bezit het schoolplein op. Links staat een groepje zesdeklassers. Ze moeten lachen. “Is die fiets niet een beetje groot voor jou?” roept één van de jongens. “Hee fiets, waar ga jij met dat meisje naar toe?” roept een ander. Ik duw mijn fiets het fietsenhok in, waar het me door de plotseling opgekomen zenuwen niet direct lukt om hem in één van de rekken te plaatsen. De wind giert door de kieren van het hok. Iemand roept “Ben je onder je eigen fiets terechtkomen ofzo?!” Als ik me verschrikt omdraai stoot ik mijn schooltas van de bagagedrager. Schriften en boeken glijden eruit, de wind rukt direct aan opengeslagen blaadjes. Ze maken een onrustig, klapperend geluid. Op de achtergrond hoor ik de jongens nog steeds lachen. Ik pak zo langzaam als ik kan mijn tas weer in, zodat ik niet tegelijk met de jongens het schoolgebouw in hoef.
Thuis ga ik voor de spiegel staan en plaats mijn handen in mijn zij. Ik oefen stoere, trotse blikken en bedenk zinnetjes die ik kan zeggen als ik de jongens de volgende keer tegenkom. Met mijn laarzen en spijkerbroek maak ik toch best een zelfverzekerde indruk? Ik ben niet echt een meisje-meisje. Ik draag geen jurkjes of vlechtjes en bouw graag hutten in het bos. Ik wéét dat ik een mooie fiets heb. Hoe kan het dan dat diezelfde fiets ervoor zorgt dat ik niet kan slapen?
Het vroegere dorpsgenootje en ik mailen wat heen en weer. Ze beschrijft hoe ze mij jaren later op de middelbare school waarnam en gebruikt woorden als ‘scherp’ en ‘fel’. In mijn hoofd start een nieuw filmpje op: ik, midden op straat ruziemakend met mijn beste vriendinnetje, bijtend naar klasgenoten die iets vervelends tegen me zeiden, onverschillig in het kamertje van de rector, boos op de redactie van de schoolkrant omdat ik het niet eens was met hun correcties.
Vandaag kijk ik opnieuw in de spiegel. Ik zie een kleine vrouw in spijkerbroek, met korte haren en een lichte frons. Een vrouw die zonder aarzeling het schoolplein op stapt, maar nog steeds een beetje schrikt als nare jongens haar onterecht commentaar toeschreeuwen. Die zichzelf er nog regelmatig van moet overtuigen dat ze als reactie best een keer haar tong mag uitsteken.
Als ik op de fiets stap om naar mijn werk te gaan, schaaft een trapper tegen het hekje van de buren en verlies ik bijna mijn evenwicht. Na wat geslinger hervind ik mijn balans en zet mijn voeten stevig op de trappers. Ik merk slechts een lichte tegenwind. Ik ben op tijd, ik kom er wel.








