Category: Persoonlijk

Jun 17

Zij

Ik kende haar naam al voordat ik haar ooit had ontmoet. Op papier was ze een collega, maar door haar langdurige afwezigheid in mijn beginperiode bij het bedrijf had ik nog nooit met haar samengewerkt. Daardoor hing er een zweem van mysterie om haar heen. Hoe zou ze eruit zien? Wanneer zou ik haar ontmoeten? Op een dag werd het meegedeeld: vanaf morgen zou ze weer ‘op de vloer’ aanwezig zijn. De spanning steeg.

Een glimlach via WhatsApp

De liftdeuren gingen open en daar was ze: licht spottende blik, rustige uitstraling, kalme tred – compleet anders dan ik me had voorgesteld. In het bedrijf wemelde het van de kortgerokte en hooggehakte grieten, die me dagelijks een gevoel van onoprechtheid bezorgden. Zij leek anders. Liever. Echter.

Het duurde niet lang of we ontdekten een gemeenschappelijke deler: we hadden het op z’n zachtst gezegd ‘niet naar ons zin op de unit’. Stapje voor stapje deelde ik mijn ergernissen met haar. Eerst voorzichtig polsend, al gauw open meedelend. Ik werd van dag tot dag blijer dat er tenminste iemand in dit bedrijf rondliep die begreep waarom ik nachtmerries kreeg bij het horen van termen als people’s manager, trilateraaltje en target.
Zes maanden en ontelbare innerlijke worstelingen later nam ik ontslag. Normaalgesproken verwatert het contact met ex-collega’s na een tijdje, maar zij verzekerde me bij mijn vertrek dat ze nog wel een keer ‘een wijntje wilde doen’.

Dat deden we, op het terras van West in Lombok. De zomer was in aantocht, maar de avondlucht zorgde nog voor kippenvel. We namen plaats onder een warmtestraler, op één van de sloophouten banken met gekleurde kussentjes. Naast elkaar dronken we in de oranjerode gloed witte wijn uit kleine, lage glaasjes. Meer dan me lief was frunnikte ik aan de ring aan mijn rechterhand, een licht dwangmatig zenuwtrekje waar ik sinds mijn kindertijd steeds in verviel als ik niet helemaal op m’n gemak was. Het bleek volkomen onnodig. De glazen bleven steeds halfvol. Ze bestelde nog een rondje. En nog één.

Ik deed wat ik niet voor mogelijk had gehouden. Ik vertelde haar dat ik onzeker was. Over vanalles, waaronder onze ontluikende vriendschap. Dat ik aan mezelf was gaan twijfelen nadat een belangrijke persoon me na twintig jaar in allerlei opzichten had verlaten. Dat ik vreesde dat zij me na een tijdje ook tactloos en vreemd zou vinden. Ze keek me aan met opgetrokken wenkbrauwen en zei dat het al te laat was. Dat ze al fan van me was toen we nog samen in dat onmogelijke bedrijf hadden gewerkt.

Die avond stapte ik op de fiets met in mijn lijf een hernieuwde lichtheid. Uit de stad stegen zomergeluiden op; geroezemoes vanaf de volle terrassen, muziek uit openstaande cafédeuren. De geur van zinderend asfalt en bomen in bloei. Ik zoog er mijn longen mee vol en ademde een tintelende tevredenheid uit.

Sindsdien is zij in mijn hoofd en hart. Elke maand plannen we een gezamenlijke ‘sessie’, niet zelden ondersteund door zoete koeken en stukken taart. Bij haar mag ik vloeken, huilen, zwijgen. En me daar nooit voor verontschuldigen. Ik mag haar verjaardag vergeten en stomme opmerkingen maken. Zij stuurt mij een glimlach via WhatsApp en knuffelt me in het echt.

Zij doet mij goed. Zij laat mij zijn.

Share Button
5 comments
Jun 16

Achtbaan

Voorgeschiedenis

Op mijn vorige blog kreeg ik veel reacties, zoals deze tekst van @RuudKetelaar. Hij stelt mij daarin een paar vragen, die neerkomen op één kernvraag: waar komt mijn angst voor de dood vandaan?
Tijd voor een klein onderzoekje. In de vorm van (misschien wel meerdere) persoonlijke verhalen. 

Achtbaan

23 Mei 1996. Ik was 19 en zat met mijn moeder in haar pindakaasbruine Suzuki Alto (lees: koekblik op wielen) op weg naar Woensdrecht, waar ik ben opgegroeid. We hadden gewinkeld in Bergen op Zoom en ik had nieuwe kleren gekregen om die avond aan te trekken naar een schoolfeestje. Ze lagen in plastic tasjes op de achterbank van de auto. Ik keek er af en toe naar, alsof ik mezelf ervan wilde verzekeren dat we de kleren echt hadden gekocht. Ik wilde er mooi uitzien die avond. Tom zou er ook zijn en hij moest me oogverblindend vinden. Mijn moeder praatte wat over het avondeten, dat we laat waren en of we niet een frietje zouden halen. Dat we op de terugweg ook direct langs de friettent konden rijden en of pa een fricandel speciaal zou willen. Ik draaide het raampje wat verder open om de warme lentelucht, die nauwelijks verkoeling bracht, de auto binnen te laten. Op de radio klonk een zomers, reggae-achtig liedje.

Naast me en voor me spatten de ruiten in kleine stukjes uit elkaar. We hellen over naar rechts. Een achtbaan, schiet door mijn hoofd. Een achtbaan in slow motion. Ik zit rustig in mijn stoel en wacht tot de looping is geweest. Het geluid van glasscherven en scheurend metaal. Een schurend mechanisch piepen. Stilte. Ik denk aan de achtbaan in de Efteling. Dat ik altijd zo bang ben dat de beugels losschieten als je over de kop gaat.

Dat gebeurt niet. Ik hang ondersteboven in de veiligheidsgordel. Het draaien is gestopt, we bewegen niet meer. De bovenkant van mijn hoofd drukt tegen het dak van de auto. Ik beweeg mijn handen naast mijn oren, voel voorzichtig met mijn vingertoppen. Een tapijt van glasscherven. Oké, denk ik met onbewogen kalmte, hoe ga ik dit aanpakken. Met mijn linkerhand klik ik de gordel los en laat me langzaam in de scherven op mijn rug zakken. De afstand tussen mijn buik en het dak van de auto is nauwelijks een halve meter. Ik voel geen pijn, ik heb me niet gesneden.

Langzaam dringen er geluiden tot me door. Tik-tik, tik-tik. De richtingaanwijzer. Krrrgggg, krrrgggg. De ruitenwissers duwen met hun laatste krachten knarsend tegen het beton van het wegdek, dat zich boven mijn hoofd bevindt. Zachte stemmen op de achtergrond. Ik draai mijn hoofd langzaam naar links.

Op nog geen 30 centimeter van mijn gezicht, uit het niets, grote bleekblauwe ogen. Mijn moeder. Ze hangt ondersteboven in haar veiligheidsgordel en staart me aan. Er vallen druppels bloed uit haar neus tussen het glas.
“Gaat het, ma?” vraag ik. Ik schrik van het volume van mijn stem. Mijn moeder fluistert “Wat is dit nu?” Ze klinkt traag, alsof ze bijna in slaap valt. Ik vraag het nog een keer. Ze hangt daar maar en beweegt zich niet. De druppels bloed veranderen in een straaltje dat net langs haar rechteroog over haar voorhoofd naar beneden sijpelt.

Ik had net een paar maanden mijn rijbewijs en had haar op de parkeerplaats in Bergen op Zoom gevraagd of ik mocht rijden. Ze had getwijfeld en was met de smoes ‘kom, ik zit al bijna en ik wil gewoon naar huis ‘ zelf achter het stuur gaan zitten. In de auto was het warm en mijn blote benen plakten aan de leren bekleding. Mijn moeder remde voor oranje en veegde zweetdruppeltjes van haar bovenlip.
“Je mag hier tachtig, hoor” zei ik tegen haar. De drang om zelf het gaspedaal diep in te trappen was groter dan ik wilde toegeven. Mijn moeder zette de radio iets harder en ik lachte om haar zelfverzonnen meezing-Engels. Ze gaf me een nepklap tegen mijn achterhoofd. Even rook ik de zoete geur van haar parfum. Ik neuriede mee met het liedje en schudde mijn hoofd toen ze ook nog gas terugnam bij het kruispunt aan de rand van Hoogerheide. Er kwam een bruine auto van links. “Hee,” riep mijn moeder, “wat doet die nou?!”

Mijn moeder knippert traag met haar oogleden. Plotseling, geen lucht meer. Door mijn borstkas wervelt iets vanaf mijn middenrif omhoog naar mijn keel. Over mijn wangen sijpelt iets nats naar beneden. Ik voel aan mijn gezicht en kijk naar mijn handen. Geen kleur. Geen bloed. Tranen?
“Je spulletjes,” fluistert mijn moeder, “pak je kleren.” Ik slik, houd mijn adem in, kijk haar aan. Kleine glassplinters glinsteren op haar wangen. De geur van metaal, teer, iets aangebrands.
“Waar is mijn handtas?” vraagt mijn moeder. Ik draai me voorzichtig op mijn buik. Met mijn ellebogen in de scherven veeg ik behoedzaam de stukjes glas van haar gezicht. In mijn ooghoeken zie ik de ruitenwissers nog steeds bewegen. Ik begin op mijn buik rond te schuiven in de kleine, samengedrukte ruimte. Steek mijn hand uit, zet de richtingaanwijzer en de ruitenwissers af. Ik zie de plastic tassen achter me en de handtas van mijn moeder die tussen het stuur en het asfalt geklemd zit. Ik graai om me heen. Wat ik te pakken heb gekregen klem ik tussen mijn buik en het dak van de auto. Ik schuif weer richting mijn moeder en raak haar wang aan.
“De huissleutel,” fluistert ze. Het kost haar moeite. Ik stel haar gerust, zeg dat ik alles heb. Dat ik niets heb. Ik heb nergens pijn, ma, nee echt niet, ik heb nergens pijn.

In het gat van het zijportier verschijnt het gezicht van een jonge kerel. Blonde haren, lichte ogen. Hij praat tegen ons. Ik versta hem niet, strek wel een arm naar hem uit. Een sterke hand grijpt me bij mijn pols en trekt me langzaam door het smalle gat naar buiten.

Ineens brandt de zon op mijn achterhoofd. Ik slik en merk dat ik een droge keel heb. Ik kijk om me heen. Aan beide kanten van de weg staat een file. Mensen staan naast hun auto’s en kijken in mijn richting. Ik draai me om. Op de parkeerplaats van de supermarkt op de hoek van het kruispunt, nog geen 15 meter van mij vandaan, heeft zich een menigte mensen verzameld. Sommige gezichten ken ik. Ik draai me weer terug en kijk waar zij naar kijken.
De ravage in een radius van 10 meter om me heen komt als een onverwachte, alles omver blazende golf over me. Glas, gruis, stukken auto, twee brandweerwagens met zwaailicht, mannen met zwarte rubberen jassen en helmen, ze komen op mij af, een grote tang, een politiewagen, twee agenten, waarvan er één nu ook op me afkomt, aan mijn voeten onze auto, wat er van over is, ondersteboven, een platgedrukt hoopje metaal, een rare knik in het dak. Mijn moeder! Ze zit er nog in. Ik begin om me heen te roepen. Mijn moeder! Mijn moeder! Ik kijk verwilderd in tientallen paren ogen van de groep mensen op de parkeerplaats. Wat staan jullie daar nou te staren?! Sodemieter op! Help!

Terwijl één van de agenten mij met zachte dwang van de auto wegleidt, beginnen daar drie brandweermannen het portier aan de bestuurderskant open te knippen. Ik ruk mijn arm los en loop terug. Door een scheur in het portier zie ik een stukje van het hoofd van mijn moeder. Haar bleke gezicht. Haar dichte ogen. Ineens begint mijn huid als een gek te tintelen. Mijn lichaam voelt alsof het niet van mij is. Ik zie mezelf staan, klein, weerloos, alsof ik van een afstand naar deze situatie kijk. Het tintelen gaat over in een koud trillen. Het is dat moment dat ik me er met een klap van bewust word dat ik mijn moeder zou kunnen verliezen. Hier. Nu.

Ongeluk23051996

Er wordt zacht aan mijn arm getrokken. “Ze vraagt naar je,” zegt een agent. Terwijl de brandweermannen onverstoord doorgaan met knippen, legt een ambulancebroeder ter plekke een infuus aan. Ik kniel zo dicht mogelijk bij de opening die is ontstaan. Ik hoor de zwakke stem van mijn moeder. “Hoe is het met mijn dochter? Waar is mijn dochter?” Eén van de brandweermannen draait zich half naar me om en knikt kort. Hij leunt een beetje opzij. Ik schuif mezelf het blikveld van mijn moeder binnen, slik de opwellende paniek weg en blijf herhalen dat ik er ben, dat alles goed is, dat alles goed komt, steeds weer, als een soort mantra, het komt goed, het komt goed, totdat ik haar voeten aan het eind van de brancard achter de knalgele klapdeuren van de ziekenwagen zie verdwijnen.

Ik mag voorin, naast de bestuurder, een geruststellende glimlach met bril en baard.
“Zo,” zegt hij, terwijl de wagen met een ratelend ronken in beweging komt, “ben je er klaar voor? Dan gaan we maar eens op weg.”

 

De daaropvolgende weken miste ik haar zo erg dat het pijn deed. Het waren echter maar twee maanden. Daarna was mijn moeder stabiel genoeg om thuis verder te herstellen.  

Share Button
10 comments
Jun 11

Ik wil niet dood

[BriefBlogwisseling met Steven Gort]

Beste Steven,

Een paar dagen geleden las ik je blog met de titel Ik wil dood. Ik schrok. Ik was verbijsterd. De dood, dat is iets onbegrijpelijks, een niet te bevatten toestand die mij doodsbang maakt. Nadenken over de dood voelt hetzelfde als je proberen voor te stellen dat het heelal oneindig is. Het Engels heeft hiervoor een goede omschrijving: I can’t wrap my head around it. Het past niet in mijn hoofd. Niet letterlijk, niet figuurlijk. Mijn hersenen kunnen het niet aan en dus neemt mijn gevoel het over. Soms laat ik het toe, soms vecht ik ertegen. Hoe dan ook, mijn verstand verliest het keer op keer.

Klaproos

Ik verlies het ook steeds van het bang zijn. Die angstcultuur zit er bij mij goed in. Meegekregen van thuis (‘dat kun je beter niet hardop zeggen’), meegemaakt op m’n werk (‘transparantie heeft een grens’). Ook ik voel de weerzin voor de maatschappij. Jouw woorden: Vatbaar ben ik. Voor alle ellende op deze aardkloot. Het verdriet. De pijn. Het onvermogen in de maatschappij. Om naast elkaar te staan. Ze zouden van mezelf kunnen zijn. Dat hebben we gemeen.

Maar ik wil niet dood. Ik moet eerst nog even snel leren leven. Onder de knie krijgen om me te concentreren op dat kleine, grijpbare, wat hier en nu om me heen is. Zonder de angst voor het verlies ervan. In welk opzicht dan ook.

Ik lees jouw blogs daarom altijd met een gevoel van bewondering en respect. Jij schrijft wat in je opkomt, je geeft je ongezouten mening, je laat een groot deel van jezelf zien zonder bang te zijn voor de reactie van anderen. Het maakt je niet uit of jouw omgeving daarna anders naar je kijkt. Die anderen, zeg jij, brengen jou niet uit balans. Mij wel. Meer dan me lief is. Bij elke tekst die ik plaats ben ik bang dat hij me zal achtervolgen. Dat mijn woorden worden verweven met de werkelijkheid. Dat ik datgene wat ik beter niet hardop kan zeggen ook maar beter niet zwart op wit online kan zetten. Daar baal ik van. Eén van mijn tien vingers heeft altijd een afgekloven nagel. L’enfer, c’est les Autres.

Bij het teruglezen van een paar van mijn oudere blogs viel me op dat angst en dood steeds terugkerende thema’s zijn. Ik schrok zelf van de zwaarmoedigheid. Maar ik kan er niks aan doen. Ik geloof niet, net als jij, dat er ooit iets beters komt. Ik geloof in niks. Behalve in dat oneindige heelal dat niet in mijn hoofd past, maar dat ik er wel dagelijks in probeer te proppen. In een wereld die ooit begon met een knal en die nu langzaam, zachtjes jammerend, ten onder gaat. En dat dat gebeurt voordat ik heb uitgevonden hoe ik erom kan lachen. Hoe kun je daar nu in godsnaam niet bang voor zijn?

Wat heb ik daarvoor nodig? Naïviteit? Onverschilligheid? Intelligentie, of juist een gebrek daaraan? Of is het is zo eenvoudig als Jacob Jan Voerman beschrijft, en moet ik alleen maar stoppen met het zoeken naar die gebruiksaanwijzing. Maar dat is ook makkelijker gezegd dan gedaan.

Ik heb daarom nu bedacht dat mijn eerstvolgende blog een tekst moet worden over iets heel kleins. Iets alledaags. Iets leuks. Over dat ik vanavond verse asperges eet. Over de merel die hier elke ochtend op het dak van de schuur een deuntje fluit. Over de klaprozen die overal om ons huis heen uit de grond zijn geschoten.

Niks niet angst of dood. Gewoon wat meer (be)leven. Onderwerpen die geen partij zijn voor mijn verstand, mijn hersenen. Zo’n bordje asperges gaat er zonder problemen in. Misschien komt er dan ook wat meer positiviteit uit.

Wat denk jij, kunnen we dat aan?

Share Button
24 comments
Jun 03

Spetters

Een paar dagen geleden, dit liedje.

Ik  zit op de bank, mijn hand met daarin een chipje halverwege de weg naar mijn mond bevroren in de lucht, mijn mond half open, de tranen over mijn wangen.

Een opmerking die ik eerder die week heb gelezen komt in me op: “Het feit dat je verdriet kunt voelen en je vervolgens weer beter kunt voelen na het horen van een liedje, bewijst dat gevoelens dom zijn.” Nee, dacht ik toen, het bewijst dat er verdomd goede liedjes bestaan. Liedjes die gevoelens blootleggen. Gevoelens die soms diep verborgen zitten onder een dikke laag alledaagse rompslomp. Die, als je niet oppast, steeds dieper zakken, totdat je er niet meer bij kunt komen en je iets of iemand van buitenaf nodig hebt om ze weer bloot te leggen. Als een plastic bal die je in het zwembad lange tijd onder je lichaam, onder het wateroppervlak kunt houden, maar die, als iemand onverwacht water in je gezicht spettert, ineens toch naar boven schiet, langs je zij of je schouder, onvoorzien, zo de lucht in.

Gevoelens zijn dom noch slim. Ze hebben geen hersens en kunnen niet nadenken. Mensen wel. Dat is het probleem. Mensen voelen, en dan begint het denken.  Ze vragen zich af waarom, willen het niet, verzetten zich ertegen, schamen zich ervoor. Constant alleen maar voelen hoort niet. Mag niet. Past niet in onze maatschappij. Huilen op je werk, het kan niet. Emotioneel staat gelijk aan onprofessioneel.

En dus hopen de weggestopte gevoelens zich op. Eerst zijn ze nog een klein brokje bedwongen boosheid, gesmoorde smart. Dan worden ze een steeds grotere klomp getemde stemmingen die we niet wilden of konden voelen.

Dat liedje, de spetters. Het gaat over hem, over haar. Over hen die ik ben kwijtgeraakt. Zij, bij wie ik in het dagelijks leven zo min mogelijk stilsta om de zware draaikolk in mijn onderbuik niet te hoeven voelen. Of de stroeve hobbel in mijn keel, daar waar het slikken plaatsvindt. Die bal die geen weg naar buiten vindt en steeds links en rechts tegen allerlei organen aan stoot. Mijn maag, mijn middenrif, mijn hart. Verdriet is lichamelijke pijn, tranen zijn het bloed van onderweg ontstane wonden.

Tijdens het luisteren naar dat liedje heb ik ongemerkt het hele schaaltje chips leeggegeten. “Was het lekker?” vraagt R. die plotseling naast me blijkt te zitten. Ik lik het zout van mijn lippen en kijk hem aan. “Ja,” zeg ik, “dat had ik echt even nodig.”

Share Button
7 comments
May 28

Nattigheid

Sinds ik vijf weken geleden moeder werd van een tweede kind, betrap ik mezelf steeds op een hunkerende blik in onze koelkast, waar een fles prosecco koud staat voor als mijn man en ik weer eens tijd hebben voor een relaxt avondje op de bank. We hebben zo’n avond al een paar keer gepland, maar steeds komt er iets tussen: de tweejarige die niet kan slapen of de pasgeborene, die zijn huiluurtje altijd precies rond primetime plant. Om teleurstellingen te voorkomen plannen we tegenwoordig niet te ver meer vooruit en proberen we onverwachte situaties zo gelaten mogelijk over ons heen te laten komen.

Koude douche

Het hoogtepunt van de week in de categorie ‘improviseren’ vindt plaats tijdens een door mij zorgvuldig geplande badkamer-sessie met mijn dochter. Zoon heeft zojuist een fles gekregen en is in een comateuze slaap gevallen; ik kan ongestoord met mijn dochter onder de douche. We staan net goed en wel ingezeept met z’n tweeën in de cabine als Zoon beneden in zijn box begint te huilen. Eerst denk ik nog dat ik last heb van fantoomgeluiden (de vreemdste alledaagse tonen zetten mijn gehoor tegenwoordig op scherp), maar het geluid wordt harder en heftiger. Ik probeer mijn zenmodus in te schakelen en denk ‘hij houdt vast vanzelf op’, maar dat doet hij niet; binnen twee minuten schreeuwt Zoon de hele tent bij elkaar.

Snel spoel ik mijn dochter af, zet haar met een handdoek om haar schouders op de badmat, leg haar uit dat mama zo terugkomt en (waarom hangt er *@#$%^&! maar één handdoek in deze badkamer?!) ren zeiknat in mijn blote kont de trap af, de woonkamer in. Daarbij vergetend dat de luxaflex aan de voorkant half open zijn en de overbuurman, die op woensdag ook altijd thuis is, volledig vrij zicht heeft op mijn glimmende achterste. Dit is op z’n zachtst gezegd niet handig. Plan B: huilend kind in de maxi cosi en weer terug naar boven. Zo snel als ik kan zeul ik het met 5 kilo kind gevulde onding mee de badkamer in, waar Dochter met druppende haartjes en hangende schoudertjes keihard op het matje staat te huilen. Langs haar beentje loopt een straaltje plas naar beneden.

Poedelnaakt, op mijn hurken, met een huilende baby in m’n arm en een jammerend kind naast me probeer ik te focussen: prioritering, strategie, plan van aanpak. Dit kan toch niet zo moeilijk zijn?! Ik haal diep adem en kies ervoor om eerst mijn oudste af te drogen. Op het moment dat ik me omdraai om mijn sputterende zoon terug te leggen in de maxi cosi, rent mijn dochter, nog steeds kleddernat, in haar blootje de gang op. Ik vind haar terug in ons bed. Waar ze de rest van haar plasje heeft gedaan. Terwijl ik snel het laken van het matras trek en met de handdoek alle soorten nattigheid probeer op te dweilen, gaat mijn zoon op de achtergrond alweer helemaal uit z’n dak. Ik wil niets liever dan zelf weer even twee jaar oud zijn. Dan kan ik de handdoek over mijn hoofd trekken en oprecht geloven dat ik voor alles en iedereen zal verdwijnen.

Een half uur later zijn we klaar. Zoon kalm en tevreden, Dochter schoon en opgewekt, ik bezweet en uitgeteld. Hongerig trek ik de koelkast open en zie daar weer die fles prosecco. Geen beter moment om hem te ontkurken dan vandaag. Vanmiddag. Straks. Of nee: nu.

Share Button
10 comments
Apr 02

Een kwestie van opvoeden

Mijn dochter is pas twee jaar oud, maar ze zegt ‘dankewew’ als ze bij de slager een stukje worst krijgt, groet voorbijgangers op straat en speelt in het kinderdagverblijf braaf met andere kindjes. Bij het uitruimen van de afwasmachine komt ze vanzelf met een grote glimlach aangerend om te helpen en zingt daar ook nog een zelfverzonnen liedje bij. Logisch dat ik een trotse moeder ben.

Ik kijk dan ook uit naar het bezoek van een goede vriendin met een zoontje van 15 maanden. Ik verzeker haar dat haar zoontje het bij ons erg leuk zal hebben; mijn dochter zal hem hartelijk ontvangen en heel lief voor hem zijn. Want zo is ze nu eenmaal. Bij binnenkomst waggelt het ventje meteen vrolijk op haar af. In eerste instantie verschuilt Dochter zich nog achter mijn benen, maar als het jochie de speelgoedkist in de gaten krijgt en er kordaat op af stapt, rent ze voor hem uit om ervoor te zorgen dat hij níets van de inhoud in zijn kleine knuistjes krijgt.
“Míjn speewgoed!” is haar eerste gesprekspoging met het nietsvermoedende ventje.
“Nou, nou,” sus ik, “jullie kunnen toch heel fijn sámen spelen?”
“NEEEEEE!” gilt Dochter en rukt een Duplo-blokje uit zijn hand. Het ventje laat zich niet van de wijs brengen en begeeft zich met hernieuwde moed naar het loopwagentje in de hoek. Dochter trekt een snelle sprint, klimt op de loopwagen, kijkt me wanhopig aan en jammert: “Nee, mamaaaaa, niet! niet!” Twee minuten later staan beide kinderen aan een kant van het wagentje en trekt mijn dochter om het hardst.

driftbui

Natuurlijk was het nogal kortzichtig van mij om te denken dat mijn dochter het leuk zou vinden om met een onbekend mannetje te spelen dat zomaar haar territorium betreedt. Ik bedoel, denk je eens in hoe je je als volwassene zou voelen in zo’n situatie: een volslagen vreemde stapt jouw woonkamer binnen, zet zonder aankondiging jouw tv aan en pakt ook nog even zelf een colaatje uit de koelkast. Dat zou ik ook niet pikken. Nee, ik snapte mijn dochter maar al te goed. Het had in ieder geval niets met haar lieve karakter te maken.

Een paar dagen later ga ik dan ook vol goede moed op bezoek bij een andere vriendin met een dochtertje van een jaar oud. Een schattig meisje dat steeds heel nieuwsgierig richting mijn dochter kruipt. Die zich vervolgens als een bang aapje aan mij vastklampt. Ik hoor mezelf een paar keer iets mompelen als ‘zo doet ze anders nooit hoor’ en ben blij dat dochterlief bij het afscheid naast een pruillip toch nog een twijfelachtig zwaai-handje laat zien.

In de bus op weg naar huis is ze echter snel weer zichzelf. Bij het instappen begroet ze de buschauffeur, ze lacht tegen andere reizigers en zwaait naar iedereen die uitstapt. Net als ik haar vol trots observeer en bedenk dat de oorzaak van de mislukte playdates vast te maken heeft met de leeftijdsverschillen, dat mijn Lief en ik het toch maar goed doen wat haar opvoeding betreft, en dat de ‘peuterpuberteit’ waarschijnlijk een zwaar overtrokken verschijnsel is, wil Dochter graag in het gangpad van de bus. Staan.
“Ik snap dat dat je leuk lijkt, maar het is gevaarlijk en bovendien vind ik het veel gezelliger als je bij mij op schoot blijft zitten,” leg ik nog pedagogisch zeer verantwoord uit. Ik kom er niet mee weg. “DAAAARRRRRR staan!” roept ze verontwaardigd en als ze merkt dat ze haar zin niet krijgt trekt ze haar allerergste driftbui ooit uit de kast. Ongeduldig de bushaltes tellend houd ik mijn trappelende, overstrekkende, gillende meisje in bedwang, intussen proberend om mijn beheerste opvoederstoon niet te laten escaleren in een schaamtevol sissen van dreigementen.
De blikken van de andere reizigers spreken boekdelen. Even sluit ik mijn ogen. Hoe vaak schudde ik niet oordelend mijn hoofd bij het zien van dit soort kinderen in bussen, supermarkten en restaurants? Hoe vaak fluisterde ik niet tegen mijn Lief dat ík het in zo’n situatie wel zou weten, dat het toch allemaal ‘een kwestie van opvoeden’ is?

Vrijwillig stap ik een halte te vroeg uit. Zodra onze voeten de grond raken, stopt het geschreeuw. Ik ga op mijn hurken voor mijn peuterpuber zitten, veeg het zweet van mijn bovenlip en zeg nogmaals dat ze dat niet meer mag doen, in zo’n volle bus. Met haar roodbetraande oogjes kijkt ze me aan en vraagt: “Mama drietig?” Dan drukt ze vol overgave haar lijfje tegen me aan, aait met twee warme handjes over mijn wangen en zegt: “Mama troosten.” Terwijl haar kusje nog natintelt op mijn wang, kijk ik verdwaasd en verbaasd om me heen. Er waait een zacht briesje, boven ons fluit een vogel en verder zie ik werkelijk niets anders dan mijn lieve, zachtaardige kind. Hand in hand wandelen we samen naar huis.

Share Button
4 comments
Mar 01

Balans

In mijn mailbox zit een bericht van een vroeger dorpsgenootje. De herkenning van haar naam opent direct een bak vol beelden. Ik zie het huis voor me waar zij destijds woonde met haar ouders. De weidse polder daarachter. Daaromheen ploppen de huizen van andere klasgenootjes en de basisschool waar we heen gingen uit de denkbeeldige plattegrond omhoog. Ik ruik als het ware weer de geur van koeiemest die eens in de zoveel tijd door het dorp dreef. Ik herleef situaties die ergens in een stoffig hoekje van mijn brein waren opgeslagen.

Ik rijd op mijn fiets van huis naar school. Het is een nieuwe fiets, ik heb hem voor mijn verjaardag gekregen. Hij is nog best een beetje groot, maar mán, wat is ie mooi. Glimmend donkerblauw frame met hier en daar wat zwierige, witte letters. Ik duw mijn trotse bezit het schoolplein op. Links staat een groepje zesdeklassers. Ze moeten lachen. “Is die fiets niet een beetje groot voor jou?” roept één van de jongens. “Hee fiets, waar ga jij met dat meisje naar toe?” roept een ander. Ik duw mijn fiets het fietsenhok in, waar het me door de plotseling opgekomen zenuwen niet direct lukt om hem in één van de rekken te plaatsen. De wind giert door de kieren van het hok. Iemand roept “Ben je onder je eigen fiets terechtkomen ofzo?!” Als ik me verschrikt omdraai stoot ik mijn schooltas van de bagagedrager. Schriften en boeken glijden eruit, de wind rukt direct aan opengeslagen blaadjes. Ze maken een onrustig, klapperend geluid. Op de achtergrond hoor ik de jongens nog steeds lachen. Ik pak zo langzaam als ik kan mijn tas weer in, zodat ik niet tegelijk met de jongens het schoolgebouw in hoef.

Balans

Thuis ga ik voor de spiegel staan en plaats mijn handen in mijn zij. Ik oefen stoere, trotse blikken en bedenk zinnetjes die ik kan zeggen als ik de jongens de volgende keer tegenkom. Met mijn laarzen en spijkerbroek maak ik toch best een zelfverzekerde indruk? Ik ben niet echt een meisje-meisje. Ik draag geen jurkjes of vlechtjes en bouw graag hutten in het bos. Ik wéét dat ik een mooie fiets heb. Hoe kan het dan dat diezelfde fiets ervoor zorgt dat ik niet kan slapen?

Het vroegere dorpsgenootje en ik mailen wat heen en weer. Ze beschrijft hoe ze mij jaren later op de middelbare school waarnam en gebruikt woorden als ‘scherp’ en ‘fel’. In mijn hoofd start een nieuw filmpje op: ik, midden op straat ruziemakend met mijn beste vriendinnetje, bijtend naar klasgenoten die iets vervelends tegen me zeiden, onverschillig in het kamertje van de rector, boos op de redactie van de schoolkrant omdat ik het niet eens was met hun correcties.

Vandaag kijk ik opnieuw in de spiegel. Ik zie een kleine vrouw in spijkerbroek, met korte haren en een lichte frons. Een vrouw die zonder aarzeling het schoolplein op stapt, maar nog steeds een beetje schrikt als nare jongens haar onterecht commentaar toeschreeuwen. Die zichzelf er nog regelmatig van moet overtuigen dat ze als reactie best een keer haar tong mag uitsteken.
Als ik op de fiets stap om naar mijn werk te gaan, schaaft een trapper tegen het hekje van de buren en verlies ik bijna mijn evenwicht. Na wat geslinger hervind ik mijn balans en zet mijn voeten stevig op de trappers. Ik merk slechts een lichte tegenwind. Ik ben op tijd, ik kom er wel.

Share Button
3 comments
Feb 21

Handen vol

Als ik ‘s avonds op de bank zit wordt het mensje in mij wakker. Aan de binnenkant van mijn buikwand voel ik een handje – of toch een voetje? – bewegen. Alsof ik naar de buitenkant van een luchtkussen zit te kijken, waarbinnen kinderen wild op en neer springen, zie ik mijn buik golven en vibreren. “Het wordt vast een voetballertje,” grijnst mijn Lief met zijn warme hand op mijn navel, waarna het geschop vrijwel iedere keer stopt. We vinden het fijn om te denken dat hij, daarbinnen, rustig wordt van de aanraking. Dat hij voelt en weet dat het goede, betrouwbare handen zijn die daar aan de buitenkant van die warme huls proberen een eerste contact te leggen. Dat het deze handen zijn die hij de komende jaren, of nee, de rest van zijn leven zal kunnen grijpen als hij ons nodig heeft.

handjes

Buiten mijn buik springt ook een mensje rond. Nog geen twee jaar oud is ze, en ze is nu al bezig zich van ons los te maken. De trap op lopen wil ze niet meer samen met papa of mama, dat wil ze ‘sjèèèlf doen’. Eten met het speciaal voor haar gekochte kinderlepeltje vindt ze tot op zekere hoogte prima, als we maar wel snappen dat boontjes per definitie met de hand worden gegeten en yoghurt eerst driftig moet worden geroerd.

We halen haar op in het kinderdagverblijf. Alle kindjes zijn buiten en we gaan op zoek naar het roze mutsje. Daar, in de verte, zien we het. Het witgespikkelde bolletje dat er bovenop zit, wiebelt druk heen en weer. Eronder zien we een van de kou en inspanning blozend gezichtje met een glimlach van oor tot oor. “Hallo lieverd!” roepen we en we zwaaien naar haar, “ga je lekker mee naar huis?” Bij de eerste twee woorden zwaait ze nog terug, maar na het woordje ‘huis’ bevriest de glimlach op haar lippen. We zien haar vliegensvlug verschillende vluchtopties overwegen: Hard wegrennen? Verstoppen onder het klimrek? Tussen kindjes van dezelfde lengte gaan staan en hopen dat ze niet opvalt? Als we op haar aflopen, kiest ze voor optie 4: huilen en keihard ‘nee!’ schreeuwen. We kijken elkaar aan met gemengde gevoelens. De peuterpuberteit is nog niet eens begonnen en ons kind wil nu al niet meer met ons mee naar huis.

‘s Nachts word ik wakker van het geschop in mijn buik. Een paar moeizame draaien later begint mijn dochter een verdieping hoger te huilen. In mijn onderbroek en een T-shirt dat ergens boven mijn uitpuilende navel blijft steken, klim ik de trap op naar haar kamertje. Ze ligt met haar ogen dicht te snikken. Door de omvang van mijn 33 weken zwangere buik kan ik haar niet uit haar bedje tillen en tegen me aan drukken. Enigszins hulpeloos aai ik wat over haar hoofd. Dan voel ik haar warme vingertjes, ze graaien naar die van mij. “Mama handje pakken,” fluistert ze. Ik laat me op de koude vloer zakken en houd haar handje vast totdat ze weer in slaap is gevallen.

Beneden kruip ik met kippenvel weer onder de dekens. Mijn Lief wordt even wakker en trekt me tegen zich aan. Ik droom van kinderhandjes en grote sterke armen die ons allemaal beschermen. Als ik de volgende ochtend wakker word, zijn ze er nog steeds.

Share Button
8 comments
Feb 08

Eén plus één

Ze trekt haar neusje op tot het rimpelt en knijpt haar oogjes dicht. Ze grijnst een rijtje mini-tandjes bloot en houdt haar hoofdje een beetje schuin. Ze is net van de salontafel geklommen en staat nu met die blik en die houding voor me. Ik moet nu tegen haar zeggen dat ik boos ben. Tweejarige meisjes mogen nu eenmaal niet op tafel klimmen. Zeker niet voor de derde keer. Maar haar ondeugende blik lijkt in verbinding te staan met de lachspieren rond mijn mond. Ik glimlach naar haar en schud mijn hoofd. Ze springt een paar keer op en neer, een stuiterballetje, legt haar handje tegen mijn wang en zegt “mama lief!”

Zittend op mijn knieën omhels ik haar en wrijf over haar smalle warme ruggetje. Ze drukt haar kleine, beweeglijke lijfje tegen me aan. In mijn buik komt iets tot leven en begint te bewegen. Ze merkt het, kijkt me aan met grote, opengesperde ogen en zegt “Bwote buik!” Ze zakt door haar knietjes, stroopt mijn shirt omhoog en legt haar handjes links en rechts van de grote ronde kogel. Ze drukt haar oortje tegen me aan. “Baby!” fluistert ze en geeft een heel zacht, vochtig kusje op mijn navel.

eenpluseen

Dan rent ze weer van me weg. Ik kijk naar haar terwijl ze mijn portemonnee uit mijn tas vist en op zoek gaat naar ‘sjentjes’. Haar kleine vingertjes graaien naar alles wat ze in de overvolle vakjes kan vinden. Ze trekt een plat pakje met een inlegkruisje tevoorschijn (huh?), houdt het omhoog en roept “luier!” Vervolgens gaat ze op pad om het ding in de vuilnisbak te gooien. Ineens draait ze zich naar me om en vraagt “papa weg?” “Ja,” zeg ik, “papa is naar z’n werk.” Ze denkt even na en antwoordt dan: “Siejug.” “Inderdaad,” lach ik, “dat is best een beetje zielig.” Ik wrijf gedachteloos over mijn buik. Ze wijst ernaar en roept “Bwoetje!” gevolgd door die typische grijns.

Ineens voel ik me schuldig. In mijn buik groeit een klein jongetje, haar toekomstige broertje, een kind waar mijn Lief en ik bewust voor hebben gekozen. Maar waarom ook alweer? Voor me staat een meisje dat mij alles al geeft. Met haar zachte kriebelhandjes op mijn huid roept ze  een warmte in mij op die zelfs mijn Lief niet teweegbrengt. Haar ogen zijn van het mooiste blauw, haar geur kalmeert me en bij elk nieuw zinnetje dat uit haar mond komt (“Papa, mama, saaaaame kjuffelen!”) groei ik centimeters van overweldigende moedertrots. Sinds zij er is tel ik bewuster tot tien dan ooit tevoren en ben ik gaan geloven dat mindfullness-oefeningen best nuttig kunnen zijn. Krijsen tijdens het aankleden? Adem in. Trappen tijdens het verschonen van een luier? Adem uit. Om vervolgens te smelten voor haar schuldbewuste, droopy oogopslag en de woorden “mama bwoos?” die klein en breekbaar van haar pruillip druppen.

Terwijl ik mezelf een kop thee inschenk, zie ik hoe ze voelt wat ik denk. Ze tuit haar lippen tot een luchtkusje en klimt op tafel.

Er is geen kind op deze wereld dat dit ooit kan evenaren.

Nog niet.

Share Button
11 comments
Jan 14

Zeg ‘ns eerlijk…

Eerlijkheid is een eigenschap die persoonlijke integriteit of een ontbreken van bedrog, leugens of verdoezeling van feiten inhoudt. Hoewel de term veelal positief wordt gewaardeerd, kan een overmaat aan eerlijkheid negatief worden opgevat. Niettemin is de perceptie van eerlijkheid in persoonlijke relaties een bijna noodzakelijke voorwaarde voor vertrouwen.  [bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Eerlijkheid]

Soms doen mijn Lief en ik een spelletje. We stellen ons voor dat we in een maatschappij leven waarin we altijd de waarheid kunnen spreken. We vertellen elkaar wat we in bepaalde situaties zouden zeggen als het algemeen geaccepteerd zou zijn om je eerlijke mening te geven. Het is een geweldig spel. Bevrijdend, ontspannend en heel grappig. Maar ook confronterend. Tijdens het spelletje stellen we steeds weer vast hoe vaak we onze mening verhullen, verpakken in mooi(er) klinkende bewoordingen, of gewoon verloochenen. Want veel dingen ‘zeg je gewoon niet hardop’.

Eerlijkheid

Tegen die oom en tante die je slechts één keer in de drie jaar ziet en waar je helemaal niks mee hebt, zeg je niet dat ze niet op visite mogen komen, want – zo drukt je moeder je steeds op het hart – ‘die mensen bedoelen het toch goed’ en ‘het is tenslotte familie’.

Mensen schrikken zich lam als je op hun small talk-vraag ‘hoi, hoe is het?’ eerlijk antwoordt dat het kut gaat, dat je in therapie bent en overweegt om antidepressiva te gaan slikken.

En de sfeer op je werk wordt er zeker niet beter op als je die collega, die steeds maar weer benadrukt dat je alles met hem kunt bespreken en dat hij openstaat voor kritiek, op een dag eerlijk vertelt dat je hem eigenlijk maar een betweterig, arrogant mannetje vindt.

Speel jij ook mee?

En dus… draaien we overal omheen, vertellen we onwaarheden, verzwijgen we dingen en formuleren we onze mening altijd anders dan we bedoelen. In wezen spelen niet mijn Lief en ik een spelletje, maar doet de rest van de wereld dat. Dagelijks. Terwijl het toch heerlijk zou zijn om gewoon eens te zeggen wat je écht denkt tegen…

de moeder op het kinderdagverblijf
“Aardig dat je vraagt of ik eens koffie bij je kom drinken, maar nee, daar heb ik niet zo’n zin in. Je lijkt me een saaie muts en die man van je vind ik ronduit onsympathiek; hij zegt nooit ‘hallo’ terug als ik hem groet. Bovendien heb ik een hekel aan gekunstelde kennismakingsgesprekken. Vanwege het ontbreken van andere gemeenschappelijkheden zal ons gesprek vooral gaan over de kinderen; over het verloop van onze bevallingen, of ik borstvoeding heb gegeven en hoe ze scoren bij het consultatiebureau. Ergens na het derde kopje koffie zul je me terloops vragen wat voor werk ik eigenlijk doe. Nee, ik heb daar geen behoefte aan. Natuurlijk blijf ik je gewoon groeten als we elkaar hier in de gang tegenkomen, het is nu eenmaal raar om geen oogcontact te maken met iemand die op nog geen twee meter afstand eveneens zijn kind in zijn jas staat te sjorren. Maar verder dan dat hoeft ons contact wat mij betreft niet te gaan.”

je schoonouders
“Aardig dat jullie ons a.s. zondag alweer hebben uitgenodigd voor de koffie, maar hebben jullie in de gaten dat we elkaar niets meer te vertellen hebben als we elkaar zo vaak zien? Nee, anekdotes over de zoon van de ex-man van tante Corrie die in scheiding ligt interesseren ons niet. En op ongevraagde adviezen met betrekking tot de opvoeding van ons kind zitten we ook niet te wachten; wij vinden het inderdáád niet erg dat hij nog steeds niet zindelijk is en ja, hij mag af en toe gewoon met zijn handjes eten. Verder is het heus heel attent dat we steeds mogen blijven eten, maar we eten liever thuis, omdat we vinden dat jij, schoonma, gewoon niet kunt koken. We laten zelf weer iets van ons horen als we behoefte hebben aan contact. En nee, dat is met zekerheid niet meteen weer volgend weekend.”

je echtgenoot
“Ja hoor schat, voor een man van bijna veertig vind ik je nog best aantrekkelijk, al moet ik zeggen dat dat vooral geldt voor het gedeelte boven je borstkas en onder je navel.”

je familieleden
“O, wat een lelijk/nutteloos/saai verjaardagskado. Neem maar meteen weer mee, want bij mij thuis belandt het toch op zolder of direct in de prullenbak.”

je kind 
“Nee schat, dat is geen mooie tekening. Het líjkt niet eens op een bloem.”

Toegegeven, het kan ook tactischer. ‘De feedback-regels hanteren’ heet dat dan. Maar dan nog durven we zelden hardop uit te spreken wat we daadwerkelijk vinden. Omdat échte eerlijkheid meteen wordt afgestraft. Dan ben je grof, onaardig, een botterik. Dat eerlijkheid één van de meest genoemde eigenschappen is die we zeggen te waarderen in de ander, is daarmee een contradictio in terminis; een keiharde leugen.

P.s. tegen mijn kind zou ik nooit zeggen dat haar tekening niet mooi is, omdat ik alles wat zij maakt per definitie prachtig vind :-).

Share Button
15 comments